Luister naar deze pagina met proReader

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht - A. Pechtold

Spreektekst Alexander Pechtold (5e spreker)

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen

(Inleiding, proces)

In het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken worden de meest uiteenlopende zaken geregeld.

Van de strafbaarstelling van deelname aan een terroristisch trainingskamp tot het doorberekenen van administratie kosten in boetes,

en van het betreden van luchtvaartterreinen tot kinderpornografie.

Sommige voorstellen,

zoals het verlengen van de verjaringstermijn van vrouwelijke genitale verminking, en het strafbaar stellen van het wederrechtelijk betreden van luchtvaartterreinen,

kunnen wij zonder problemen steunen.

Tegen andere onderdelen,

bijvoorbeeld het verruimen van mogelijkheden om mensen te ontzetten uit hun beroep,

hebben wij bezwaren.

Maar over het algemeen geldt dat een verzamelwet voorbehouden zou moeten zijn voor beperkte wijzigingen zoals technische aanpassingen of het bij de tijd brengen van vocabulaire.

Dit wetsvoorstel behandelt gewichtige en gevoelige materie.

Ik denk aan: kinderporno en terrorisme.

Het in samenvoegen van al deze onderwerpen in één wet doet hier geen recht aan.

Deze onderwerpen verdienen meer zorgvuldigheid.

Bovendien doet dit geen recht aan het parlementaire proces.

De Kamer kan op deze manier niet op een adequate manier een oordeel vellen over de afzonderlijke elementen.

Een package-deal op deze punten is ongepast.

En de considerans van de wet dekt de lading onvoldoende.

 (Collega de Roon heeft al een amendement ingediend om de doorberekening van administratiekosten bij boetes uit het wetsvoorstel te halen.

Ik zal zelf ook op een aantal punten amendementen indienen.

Dit geeft wel aan dat er behoefte bij sommige fracties is om deze onderwerpen los te behandelen.

Het lijkt mij niet juist dat het vormgeven van de splitsing van een voorstel van een kleine fractie zou moeten komen.

Ik overweeg dan ook om een artikels- en onderdeelsgewijze stemming aan te vragen.)

Graag een waardeoordeel van de minister over deze gang van zaken.

(Evaluatie maatregelen terrorismebestrijding)

Dan de inhoud.

De minister wil met dit wetsvoorstel nieuwe antiterrorisme maatregelen invoeren.

Eerder gaf de minister aan geen ingrijpende nieuwe antiterrorisme voorstellen te voorzien.

Op basis van welke behoefte doet de minister dit?

Zijn er concrete gevallen bekend waarin het bestaande strafrechtelijke instrumentarium tekort schoot?

Heeft de minister hier een helder beeld van?

De effectiviteit van ons beleid is nog niet goed geëvalueerd.

Ook de keerzijden van de al ingevoerde maatregelen zijn nog niet goed in beeld gebracht.

De commissie-Suyver bekijkt nu (als uitvoering van mijn motie) hoe wij ons antiterrorisme-beleid het beste kunnen evalueren.

Ik ben dan ook erg benieuwd naar het rapport van deze commissie (dat komende zomer verwacht wordt).

Maar zolang de resultaten van die evaluatie niet bekend zijn,

ben ik huiverig om nieuw beleid op dit gebied in te voeren zonder een goede analyse van het probleem.

Bovendien lijkt het type maatregelen dat wordt voorgesteld nog voort te komen uit een gevoel van onmacht.

Er spreekt een geloof in de maakbaarheid van veiligheid uit.

Uiteraard: ik deel de afschuw over de excessen volledig.

Of het nu om kinderporno of om terrorisme gaat.

Maar ik pleit wel voor realisme.

We moeten niet het idee hebben dat we die dingen even weg kunnen duwen door deze maatregelen.

Als we nou maar die ene imam uit zijn moskee kunnen halen, dan zijn we veilig.

En de negatieve effecten van ons beleid overzien we vaak onvoldoende.

Laat me dat illustreren aan deze hand van twee delen van het wetsvoorstel.

( Strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme)

De regering wil het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme strafbaar stellen.

De reikwijdte van dit voorstel is mij niet geheel duidelijk.

Betekent dit dat salafistische jongeren die een survival-cursus in de Ardennen doen, vervolging riskeren?

Wat betekent dit voor studenten met extreem rechtse sympathieën bij de studentenweerbaarheid?

Dit lijken vreemde vragen,

maar de minister schrijft in de Nota naar aanleiding van het Verslag dat zelfs vechtsport-trainingen onder het voorgestelde artikel 134a kunnen vallen.

Deze formuleringen maken mij waakzaam.

Ik zou deze gedragingen niet strafbaar willen maken.

Dan schieten wij volgens mij door bij inperken van de burgerrechten.

Bovendien zie ik liever dat deze activiteiten openbaar blijven,

zodat wij er zicht op hebben en het kunnen reguleren en registreren.

Anders gaan zij ondergronds en zijn wij het overzicht en de controle helemaal kwijt.

Ook werpt het voorgestelde de vraag op wanneer sprake is van een `terroristisch oogmerk'.

De minister schrijft hierover dat naar de achtergrond van betrokkene wordt gekeken en dat haat tegen de Westerse wereld een indicator kan zijn.

Kan de minister preciezer aangeven wat de ondergrens wat hem betreft is?

Waar gaat afzetten tegen het Westen en puberaal (wan-)gedrag over in terrorisme?

De term `terrorisme' lijkt immers aan inflatie onderhevig.

Waar dit juridisch geladen begrip eerst alleen associaties opriep met grootschalige aanslagen op metrostelsels en dergelijke door IRA of al-Qaeda,

wordt het nu te pas en te onpas gebruikt,

in het dagelijks taalgebruik op straat,

maar ook in deze kamer voor het verstoren van een lampionnenoptocht.

Het blijft niet alleen bij discours,

Maar ook tegen dierenactivisten worden antiterrorisme bevoegdheden gebruikt.

Deze glijdende schaal is venijnig en gevaarlijk.

Graag een reactie van de minister.

De strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan terrorismetrainingen strekt volgens de Minister ter uitvoering van een motie en internationale verplichtingen.

Deze motie verzocht de regering in 2005 na te gaan of het bezoeken of deelnemen aan een opleidingskamp voor terroristen strafbaar te stellen was.

Blijkbaar heeft de minister besloten dat dit mogelijk was

en er ook meteen voor gekozen dit te gaan doen.

Maar dan heb ik toch meer argumentatie nodig.

Kan de Minister ingaan op de nut en noodzaak van de gekozen wijziging?

Zijn er incidenten geweest waarin de huidige wetgeving tekortschoot,

die na deze aanpassing wel zou kunnen worden aangepakt?

De door de minister gekozen formulering lijkt ook vérder te gaan dan die motie.

En bij een `opleidingskamp voor terroristen', zoals de motie luidt, stel ik me toch echt iets anders voor dan een vechtsporttraining of een schietcursus.

Deelt de minister die visie of zijn die voor hem synoniem?

Dan de internationale verplichtingen.

Artikel 7 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme verplicht tot strafbaarstelling van het meewerken aan training voor terrorisme.

Hier wordt onder verstaan: "het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken"

Over deelnemen wordt niet gesproken.

De minister zegt in de Nota n.a.v. het Verslag dat de gekozen delictomschrijving een samenraapsel is van beide.

Ik deel de constatering dat dit een eenvoudige optelsom is niet.

Is de minister het mij eens dat hij verder gaat dan het Verdrag vraagt?

ÉN verder dan de motie vroeg.

En hij in feite aan verwrongen `goldplating' doet?

Waarom heeft de minister hiervoor gekozen?

En heeft de Minister informatie over hoe andere landen voor wie het Verdrag geldt, de strafbaarstelling hebben geregeld?

Het lijkt erop dat hij op een ongewenste manier voor de troepen uit wil lopen.

(Uitbreiding mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep bij misdrijven tegen de openbare orde)

Dan kom ik bij een tweede voorstel:

De uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep bij misdrijven tegen de openbare orde.

Deze vergaande maatregel rechtvaardigt een wetsvoorstel op zich.

Een vorige generatie zou hier emotioneel over hebben gesproken,

en associaties met `berufsverboten' hebben gehad.

De ontzetting uit het beroep is - kortom - een erg zware sanctie.

Het wetboek van strafrecht kent deze straf nu voor recidivisten bij een beperkt aantal delicten.

En ten behoeve van het beschermen van kwetsbare groepen, als kinderen en verstandelijke gehandicapten, kan ik me er in sommige gevallen iets bij voorstellen.

Maar de minister wil zowel het aantal delicten uitbreiden als ook de mogelijkheid creëren `first offenders' uit hun beroep te ontzetten.

Ook op dit punt vraag ik me af waarom.

Heeft de minister een concreet voorbeeld waarin deze bevoegdheid onmisbaar was.

Het lijkt erop dat wij uit angst voor radicale imams een open regeling in het leven roepen waar we de consequenties niet geheel van kunnen overzien.

Gaan we geestelijk leiders die mensen discrimineren op basis van hun seksuele gerichtheid uit hun beroep ontzetten?

En gaan we mensen die bijvoorbeeld op basis van artikel 137f van het Wetboek van Strafrecht met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden kunnen worden gestraft, uit hun beroep ontzetten.

In beide gevallen, vind ik dat nogal wat.

Je ontneemt daarmee ook mensen hun geestelijk leider.

Hier komen mensenrechten als vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst in het geding.

Ik zou een dergelijke zware sanctie alleen willen koppelen aan een zwaardere andere straf,

En het aantal beroepen waar zo'n verbod voor zou kunnen gelden beperken.

Of in ieder geval de vrije beroepen ervan uitsluiten.

Ik vind het dan ook verontrustend dat de minister aan het begrip `beroep' in dit voorstel de meest ruime betekenis wil toekennen.

En ook hier geldt dat deze mensen ondergronds zullen gaan, zonder de garantie dat bijvoorbeeld de opruiing stopt.

Tenslotte: de minister is voornemens het verbod op godslastering uit art. 147a Sr te schrappen.

Maar nu bouwt hij daar in deze wet juist op voort.

Wat is hier de verklaring voor?

Kort wil ik nog een aantal onderdelen aanstippen:

(Invoering mogelijkheid tot het geven van een bevel tot opnemen van vertrouwelijke communicatie aan opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee)

Een ander voorstel van de Minister is ook de opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee de bevoegdheid te geven vertrouwelijke communicatie op te nemen.

Deze informatie is zeer privacygevoelig.

Het opnemen daarvan mag alleen in uitzonderlijke omstandigheden gebeuren.

In Nederland worden in vergelijking met andere landen al disproportioneel veel gesprekken afgetapt.

De lijst van vragen die in september naar de minister hierover is gestuurd,

is nog steeds niet beantwoord. [1]

Maar de minister wil het aantal nu al wel verder uitbreiden.

De minister vindt het wenselijk de kring van bevoegden uit te breiden.

Maar is dit ook noodzakelijk?

En zullen er meer van dit soort uitbreidingen gaan volgen?

Hoe groot kan de `beperkte groep' worden?

(Verlenging verjaring vrouwelijke genitale verminking)

Dan de verlenging van de verjaring van vrouwelijke genitale verminking.

Wanneer de verjaring pas ingaat op 18-jarige leeftijd van het slachtoffer,

zal de kans op aangifte worden vergroot.

Als volwassene zal een slachtoffer beter in staat zijn een beslissing te nemen over een aangifte.

Dit is passend bij dit delict.

(Strafbaarstelling wederrechtelijk betreden luchtvaartterrein)

Ook van de strafbaarstelling van het wederrechtelijk betreden van een luchtvaartterrein zie ik de nut en noodzaak in.

Ik roep de minister wel op om de realiteit op de grond belangrijker te maken, dan een verbod in de wet.

Want ná het incident begin vorig jaar liep recent een journalist zo naar de KBX.

(Conclusie)

Ik rond af.

Ik ben niet overtuigd van de wenselijkheid van een aantal onderdelen van dit wetsvoorstel.

De regering vraagt ons een oordeel te vellen over het gehele pakket in één keer.

Dat maakt het er niet makkelijker op.

Ik neig dan ook naar het artikelsgewijs stemmen.

Waarbij ik vooralsnog mijn fractie zal adviseren om in ieder geval tegen de onderdelen 134a en 137h te stemmen.


[1] 30 517 (hier hebben wij ook aan meegedaan).

 


mail deze pagina naar een vriendprint pagina

Alexander Pechtold over zijn boek: 'Henk, Ingrid en Alexander'
afspeelknop

online netwerken

Hyves PechtoldLinkedIn AlexanderTwitter alexander pechtoldyoutube.complein66.nl
Blog Alexander Pechtold

‘Naar boven kijken in de Trêvezaal’

Vandaag een bijzondere dag in Den Haag. Een vrolijke dag, ook al is het weer een beetje druilerig, want het kabinet Rutte is vandaag door de Koningin beëdigd. Vanochtend hadden ze hun eerste bijeenkomst in de Trêvezaal. ...
lees verder