Van Randwijklezing 2009
Van Randwijklezing 2009
Een land op drift
Over democratie, integratie, en de mythe van de nationale identiteit
Zeer vereerd ben ik met deze uitnodiging.
Ik mag aansluiten in een rijke traditie.
Van der Stoel, Vonhoff, Cohen, Van Thijn zijn me al voor gegaan.
Mijn eerste reactie was echter:
kan ik me ter voorbereiding
niet voor een week of twee terugtrekken in de bibliotheek?
Dan kan ik meteen al die leerzame boeken lezen,
die al zo lang op mijn lijstje staan.
Maar dat kan nu dus even niet.
Zo erg is dat misschien ook niet.
U nodigt mij uit voor wie ik nu ben,
niet voor de kamergeleerde die ik ooit nog hoop te worden.
Overigens ben ik er van overtuigd
dat te veel geleerdheid in de studiekamers blijft hangen,
maar dat risico is bij mij beperkt.
In mijn huidige levensfase sta ik midden in het politieke strijdgewoel.
Mijn kennis doe ik op in contacten en confrontaties
met andere politici, burgers, journalisten.
Daar moet ik het mee doen.
En – zeg ik met enige schroom –
daar moet u het op dit moment ook mee doen.
Ik heb voor deze dag wel een aantal geschriften van Van Randwijk gelezen.
Sommige van die uitgaven hadden al een plaatsje verworven
in mijn privé antiquariaat.
Dat bedoel ik niet geringschattend.
Als voormalige veilingmeester weet ik oude boeken op waarde te schatten.
Een vak apart.
Overigens heb ik daar in het begin van mijn loopbaan
als werkstudent weinig van opgestoken.
Op waarde schatten was toen nog niet nodig.
Veel boeken werden geveild per kuub of per kilo.
………………..
Het oeuvre Van Randwijk is rijk geschakeerd.
Zijn leven was dat evenzeer.
Hij was niet alleen verzetsman, bladenmaker en dichter,
maar ook romanschrijver en levensgenieter.
Wat hem vooral zo bijzonder maakte,
was dat hij nooit bang was om stelling te nemen.
In het conflict rond Nieuw Guinea
wist hij feilloos aan welke kant hij moest staan.
En dat was dus niet de kant van Nederland.
Ja, hij was niet alleen goed tijdens de oorlog,
maar ook na de oorlog.
Ook in die zin is hij een inspirerend voorbeeld.
In onze tijd maken veel mensen er een sport van
om te zeggen wat ze denken.
Dat wordt echter al gauw:
hardop zeggen wat veel mensen toch al denken.
Dat is niet hetzelfde als standpunten betrekken,
waarvan je weet dat die tegen de hoofdstroom ingaan.
Van Randwijk durfde dat wel.
Vandaag wil ik een aantal gedachten met u te delen.
Waaronder misschien een paar controversiële.
Niet om te provoceren.
Maar om een aanzet te geven tot het pragmatisch idealisme
waar we in deze tijd, meen ik, behoefte aan hebben.
Idealisme en pragmatisme zijn voor mij geen uitersten,
maar onlosmakelijk met elkaar verbonden.
………
Nergens is dat zo duidelijk als in de internationale politiek.
Dit is hét terrein van de idealen.
Die reserveren we immers niet voor onze eigen wijk of land.
Nee, die koppelen we het liefst aan de wereld.
Vrijheid en democratie, mensenrechten: dat gunnen we iedereen.
Aan de andere kant worden we ook steeds weer overvallen
door gevoelens van machteloosheid en frustratie.
Als blijkt dat mondiale ontwikkelingen niet te sturen zijn.
En dat het al helemaal niet eenvoudig is
om ontwikkelingen in andere landen naar de hand te zetten.
In het tijdperk van Bush junior overheerste nog
een ‘can do’ mentaliteit in de Amerikaanse buitenlandse politiek.
De aanslag op de Twin Towers
triggerde een tomeloze dadendrang.
Bush junior cum suis zette volop militaire middelen in
om hun missionaire doelstelling van een vrije wereld te realiseren.
Bij voorkeur met steun van de wereldgemeenschap.
Maar was die er niet, dan op eigen gezag.
Hoewel niet geheel in lijn met zijn campagne slogan – ‘Yes, we can’ –
heeft president Obama een meer pragmatische politiek ingezet.
Er is weer oog voor de begrenzingen van de macht.
Er wordt weer geluisterd binnen het bondgenootschap.
Rusland wordt niet langer nog alleen als tegenpool gezien.
Er wordt weer gekeken waar belangen parallel lopen.
Er wordt gezocht naar werkbare compromissen.
Zoals over het omstreden raketschild en de aanpak van Iran.
Moeten we gaan praten met de gematigde krachten binnen de Taliban?
Blijven we contacten met Hamas uit de weg gaan?
De meningen lopen uiteen,
maar de vragen worden tenminste weer gesteld.
Natuurlijk toetsen we onze buitenlandse politiek
aan onze beginselen en idealen.
Maar de opgave is
om dat op een realistische en pragmatische wijze te doen.
Engagement waarin realiteitszin ontbreekt,
pakt steevast verkeerd uit,
als het om mensenrechten en democratie gaat.
Van idealen is het via engagement
nog maar een kleine stap naar moralisme.
En moralisme is een slechte raadgever in de internationale politiek.
Zeker als moralisme gecombineerd wordt met schipperen.
Dan wordt het een huwelijk van gevoel en onvermogen,
en dus gedoemd tot mislukken.
Zie de aanloop van de oorlog tegen Irak.
De besluitvorming over de Nederlandse rol was onduidelijk,
en is nog steeds niet opgehelderd.
En was bovendien overgoten
met een vanzelfsprekend moralistisch gelijk.
Daardoor werd de discussie over de effectiviteit van de oorlog
nodeloos belast.
De goede bedoelingen stonden voorop.
Een politiek van de goede bedoelingen
maakt vaak echter meer slachtoffers dan er worden geholpen,
Het is kennelijk een waarheid die steeds opnieuw ontdekt moet worden.
Het Srebrenica-drama is hier ook een schrijnende illustratie van.
Wat hebben we daar eigenlijk van geleerd?
Schipperen doen we ook, als dat zo uitkomt.
Op de internationale fora mogen we graag pleiten
voor versterking van de internationale rechtsorde.
Maar tot driemaal toe heeft Nederland
in de achterliggende tien jaar
steun gegeven aan oorlogen
die geen uitdrukkelijk mandaat hadden van de Veiligheidsraad.
En als een bevriende natie in het Midden Oosten
het handvest van de VN schendt,
zeggen we dat ook niet hardop.
Ongemakkelijke vragen gaan we liever uit de weg.
Waarom?
Als in een smalle landstrook als Gaza
veel mensen het gevoel hebben
dat zij nog slechts de keuze hebben
tussen lijden in stilte of sterven met veel kabaal,
kunnen we dan de vraag stellen waar dat gevoel vandaan komt?
Of laden we dan de verdenking op ons
dat we begrip hebben voor terreur?
Het is mooi dat onder de nieuwe Amerikaanse regering
ruimte ontstaat om lastige vragen op te werpen.
Maar we hoeven toch niet altijd te wachten
tot we de ruimte krijgen om heikele kwesties aan te kaarten?
Ja, het vereist moed om als eerste de vraag te stellen
waar tot dan toe nog alleen over gefluisterd wordt.
Wat weerhoudt ons daarvan?
Een ding staat buiten kijf:
die moed hebben we nodig
als we de verbinding tussen idealisme en pragmatisme
tot stand willen brengen.
………….
Dames en heren,
Pragmatisch idealisme zie ik ook graag terug in onze binnenlandse politiek.
Vooral op het terrein van het integratiebeleid,
waar de balans is verstoord
tussen wat we willen bereiken,
en wat we daarvoor doen.
Ik doel niet op de evident problematische kant van de integratie.
Spanningen in oude wijken,
overlast en criminaliteit,
beknotting van vrijheden, discriminatie,
schooluitval, ontspoorde jongeren
en ouders, die niet weten hoe hun betrokkenheid te tonen.
Natuurlijk moeten we die problemen aanpakken.
Vanzelfsprekend, dat we daarvoor alle noodzakelijke middelen inzetten.
Jeugdbeleid, antidiscriminatiebeleid,
onderwijs, stadsvernieuwing
maar ook het veiligheidsbeleid:
ze zijn stuk voor stuk hard nodig.
De regels van de rechtstaat gelden voor iedereen.
Ongeacht etnische, religieuze of culturele achtergrond.
En iedereen zal zich daaraan moeten houden.
In geval van overlast in trams, in wijken
of geweld tegen ambulancebroeders, vrouwen en homo’s,
en ook bij een vermeende terreuraanslag,
wil ik niets horen over eventuele cultuurverschillen.
Ik wil alleen horen hoe politie en justitie dat gaan aanpakken.
Maar deze benadering gaat velen niet ver genoeg.
Zij willen daar bovenop een voortvarend en ambitieus integratiebeleid.
Met als resultaat?
Dat drang en dwang dominante kenmerken zijn geworden
van het Nederlandse integratiedebat.
Dat drang wordt uitgeoefend richting nieuwkomers
om zich zo snel mogelijk aan te passen .
Dat dwang wordt gebruikt als dit niet snel genoeg lukt.
Dat het zakken voor het inburgeringexamen
wordt bestraft met boetes en verblijfsrechtelijke sancties.
Deze kloeke aanpak is de finale afrekening
met het multiculturalisme van voordien.
Maar is het ook effectiever?
Zeker is dat deze aanpak heeft geleid
tot hoogoplaaiende emoties,
frustraties aan beide kanten,
en grote en kleine crises,
tot en met het aftreden van een minister.
Maar de vraag was,
of het ook effectiever is?
De gedachte is dat we integratie kunnen forceren en sturen.
Maar dat is een misverstand.
Dat kunnen we niet.
We focussen op aanpassen en aanleren,
terwijl integratie eerst en vooral een proces van emancipatie is.
Van het ontwikkelen van burgerschap,
eigen identiteit, zelfbewustheid.
Voor dat actieve burgerschap
kun je als samenleving voorwaarden scheppen.
Maar je kunt het niet afdwingen of opleggen.
Emancipatie van nieuwkomers is een autonoom proces.
De Verenigde Staten, het klassieke immigratieland bij uitstek,
is hiervan het duidelijkste voorbeeld.
Eeuwenlang heeft het land
de ene na de andere generatie nieuwkomers opgenomen.
Zonder noemenswaardige overheidsinterventie.
Als de strenge toelatingsprocedure eenmaal is doorlopen,
bemoeit de overheid zich niet meer met hen.
Dat doet de arbeidsmarkt wél.
Ze zijn ook zeer welkom.
De burgemeester van New York
– en dat is op dit moment geen ‘Democrat’ –
noemt migranten het ‘levenssap’ van de stad
en hun bijdrage van ‘onschatbare waarde’.
‘Je moet in de pot blijven roeren en nieuwe ingrediënten toevoegen
om concurrerend te blijven als stad’, zegt hij.
Immigratie als oplossing en nu eens niet als probleem.
Dat kan dus ook.
Alleen niet in Nederland.
Al doet ook hier de tweede generatie nieuwkomers
het aanzienlijk beter dan de eerste.
De deelname aan het hoger onderwijs stijgt spectaculair.
Er komt een allochtone middenklasse,
die lid wordt van clubs en organisaties,
de Nederlandse media volgt,
en hoge opkomstcijfers laat zien bij verkiezingen.
En die zich zelfs aansluit bij partijen
die aan de wieg van het homohuwelijk en euthanasie hebben gestaan.
Het heeft even geduurd,
maar het gebeurt nu vanzelf en is niet geforceerd.
Allochtonen, die zich laten horen en zien
in debat en meningsvorming over allerhande zaken.
Die – kortom - participeren in de samenleving
en zich daarbij betrokken voelen.
En toch is, volgens onderzoek,
vooral bij jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst,
geloof in de eigen toekomst,
geloof in de eigen kansen afgenomen.
En dat terwijl hun opleidingsniveau fors is gestegen!
Het kan niet anders of het tobberige en hysterische klimaat,
waarin in Nederland nu al jarenlang
over immigratie en integratie wordt gesproken
is hieraan mede schuldig.
De vergelijking met Amerika valt in ons nadeel uit.
Tolerantie is in Nederland een beladen begrip geworden.
Voor sommige politici is het niet langer een cultuurgoed,
maar een uitweg.
Handhaven en confronteren.
En als dat niet lukt, ja, dan zit er niets anders op.
Dan maar tolereren.
Generaliseren en denigreren zijn aan de orde van de dag.
Of krenken al dan niet mag,
dat zou ik even moeten nakijken.
Ik weet niet wat de huidige stand van de discussie is.
Nieuwkomers voelen zich allesbehalve welkom.
Hele bevolkingsgroepen krijgen het gevoel
dat zij in de hoek worden gezet.
Radicale elementen voelen zich daar prima bij
en grijpen hun kans,
maar de gematigde krachten
worden in een ongemakkelijke positie gemanoeuvreerd.
Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen
waarmee migranten te maken krijgen,
worden verengd tot een integratieprobleem.
Tot verschillen in etnisch- culturele achtergrond.
Op deze manier wordt een ‘meerderheidscultuur’ geschapen.
De ideeën van afwijkende minderheden
zien we als exotisch en problematisch.
En zo wordt het omgekeerde bereikt
van wat we met integratie beogen.
Ik beweer niet dat het beleid geen enkel effect heeft.
Het effect is groot.
Maar het is een averechts effect.
De wederzijdse beeldvorming is negatiever geworden.
Is dat gebeurd ondanks of dankzij bemoeienis van de overheid?
Ik raak steeds meer overtuigd van het laatste.
Bovendien zijn archaïsche begrippen
als ‘nationale identiteit’ en ‘patriottisme’
weer terug in het politieke vocabulaire.
Een passende reactie had kunnen zijn:
‘dames en heren, daar hebben we nu eigenlijk geen tijd voor.
We moeten een antwoord zoeken op de vragen die op ons afkomen
door individualisering, globalisering,
de economische crisis
en de teloorgang van traditionele verbanden.’
Maar wat blijkt? Dat is het antwoord.
Die nog nader te formuleren identiteit
ís het antwoord op de versplintering, en de globalisering.
Via begrippen als nationale identiteit, patriottisme
en de daarbij horende beschavingsoffensieven,
is men op zoek naar nieuwe nationale cohesie.
Hoe hevig de passie daarvoor is,
bleek toen een nieuwkomer in de Nederlandse monarchie
zich liet ontvallen dat de Nederlandse identiteit niet bestaat.
Nog niet zo lang geleden,
zou die opmerking beleefd worden aangehoord.
Nu werd die als een affront ervaren.
‘Echt heel erg dat Maxima dat heeft gezegd,’
klonk het ook in progressieve kring.
Ik vind het helemaal niet erg wat de prinses heeft gezegd.
Ik vind het wel erg dat daar zo overspannen op gereageerd wordt.
‘Houd toch op,’ denk ik.
Hoe zei wijlen Jacques van Doorn het?
De nationale identiteit is ‘een constructie
die willekeur insluit en politieke manipulatie uitlokt’.
Wat is er gebeurd dat we ons zelf in zulke constructies verliezen?
Nu kun je tegenwerpen
dat we intussen wel open en direct met elkaar omgaan.
Maar getuigt de mentaliteit van ‘zeggen wat je denkt’
van democratisch besef?
Laat ik dit voorop stellen.
De vrijheid van meningsuiting is géén vrijbrief
om anderen te kwetsen.
Of in vrijheid te beperken,
zelfs als de wet dat niet verbiedt.
Waarom zouden we niet behoedzaam en met fatsoen praten
over alles wat met rassen, huidskleur en religie te maken heeft?
Niet de vrijheid van meningsuiting staat hier op het spel,
maar de beschaving.
Laten we de vrijheid van meningsuiting redden
uit de handen van degenen die haar misbruiken!
Het rekening houden met de ander
kun je een vrijwillige vrijheidsbeperking noemen.
Je kunt het ook zien als een houding
waarmee je richting geeft aan de vrijheid.
Het gaat immers niet om je uitleven,
maar om je vrijheid verantwoordelijk te gebruiken.
Dat betekent dus ook af en toe inschikken.
Maar de bereidheid dat te doen, neemt af.
Met een verdere verloedering van de democratie als resultaat.
Dat levert in combinatie met een ontsporend integratiedebat
een explosief en giftig mengsel op.
………………
De vraag rijst hoe het zo ver heeft kunnen komen.
Nederland was toch nog niet zo lang geleden
een toonbeeld van tolerantie en democratie?
Maar was dat echt zo?
Of is hier sprake van iets te flatteuze beeldvorming?
Als ik me niet vergis
is die beeldvorming vanaf de jaren ‘60
sterk aangewakkerd.
Als Nederland ooit vrijzinnig en tolerant was,
dan was zij dat in die tijd.
Ook in de jaren ‘70 en ‘80
was de betrokkenheid bij de politiek groot
en het publieke debat levendig.
Ludieke acties waren schering en inslag.
Nog tot halverwege 2002 werden die met een zekere regelmaat gevoerd.
Een foto uit die tijd stond onlangs opnieuw in de krant.
Die was kennelijk uit het archief van de fotoredactie gevallen.
We zien de moslimgeestelijke Abdullah Haselhoef.
Lachend laat hij zich onderzoeken
door de hoofdredacteur van de Gay Krant,
die zich voor de gelegenheid als arts heeft uitgedost,
compleet met stethoscoop.
De omstanders kijken geamuseerd toe.
Het onderschrift luidt nu:
‘Er kon toen nog gelachen worden over culturele verschillen.’
Dát vermogen hebben we dus verloren.
Er wordt nu met scherp geschoten.
Op een man als Tariq Ramadan bijvoorbeeld.
Een moslim én een filosoof.
Een wolf in schaapskleren zou hij zijn.
En wat doe je als je een wolf signaleert? Je jaagt hem weg.
Terwijl Haselhoef slechts de nieuwsgierige blikken
van omstanders moest ondergaan,
moet Ramadan verbale agressie trotseren.
Hoe kon de sfeer in ‘ons land’ zo snel omslaan?
‘Dat begrijp je toch wel,’ zullen sommigen zeggen.
‘Na alles wat er is gebeurd!
Er zijn twee politiek geïnspireerde moorden gepleegd.
Nog veel meer mensen zijn met de dood bedreigd.
Logisch dat het klimaat is omgeslagen.’
Maar is dat de reden
dat we ironie, zelfspot en relativeringsvermogen zijn kwijt geraakt?
Of is er meer aan de hand?
Daar heeft het alle schijn van.
…………………..
We moeten terug in onze geschiedenis voor de verklaring.
Zelf heb ik de overtuiging dat ons land van oudsher
niet zo tolerant en vrijzinnig is als we elkaar wijsmaken.
Ik betwijfel of tolerantie in onze genen zit.
Want Nederland is ook het land van de godsdiensttwisten.
Het land waar de vraag of de slang al dan niet tegen Eva gesproken heeft,
de gemoederen hevig wist te beroeren.
Het land ook van de verzuiling.
Tot midden jaren zestig
speelde het politieke leven zich af binnen de eigen zuil.
De katholieke, protestants- christelijke of socialistische zuil.
De parlementaire democratie
had bevoogdende en autoritaire trekken.
Ik weet niet precies hoe het moet zijn geweest
om in die tijd op te groeien.
Het leven zal zeker ook zijn aantrekkelijke kanten hebben gehad.
Ik weet wel dat toen de zuilen leegliepen,
en de pacificerende werking van het stelsel navenant afnam,
er minder fraaie trekjes aan het licht traden.
De elites praatten met elkaar en deden zaken.
We leken een tolerant land,
waar vele groepen vreedzaam naast elkaar konden leven.
Maar de mensen uit die verschillende groepen
kwamen elkaar nauwelijks tegen.
Die gingen niet met elkaar om.
Hoezo tolerant en verdraagzaam?
En hoe democratisch was de verzuilde samenleving nu eigenlijk?
Ik wil daar nu eens niet al te moeilijk over doen.
Zeker, het stelsel had regenteske vormen,
maar die bleven binnen de grenzen van het aanvaardbare.
Het samenlevingsmodel was een ideaal binnenwerk voor een democratie.
De sociale cohesie was verzekerd,
de maatschappelijke verhoudingen waren stabiel
en de politieke partij was dé schakel tussen burger en overheid.
Ons democratisch tekort werd pas onaanvaardbaar groot
nadat de regenten verjaagd werden….
Want tegelijk met de regenten,
verloren de politieke partijen hun rol als bindmiddel.
Die partijen worden sindsdien geconfronteerd
met leegloop en een zwevend electoraat.
Toch voelen zij er niet voor om meer directe verbindingen te maken
tussen kiezers en regering en parlement.
Dat zou hun rol nog meer uithollen, vrezen ze.
En daarom zitten we tot op de dag van vandaag,
met een politiek stelsel
dat in democratisch opzicht ver achter blijft
bij wat doorgaans onder een westerse democratie verstaan wordt.
Een stelsel waarin de ‘trias politica’ van Montesquieu
nauwelijks is terug te vinden.
De scheiding der machten
is niet verankerd in ons politieke systeem,
laat staan in ons politieke bewustzijn.
In de Verenigde Staten is dat wel gebeurd.
En dat levert een spontane betrokkenheid op
van de burgers bij hún democratie.
De Amerikaanse kiezers kiezen niet alleen een nieuwe president,
zij kiezen ook voor een nieuw Congres,
een nieuwe Senaat,
nieuwe rechters,
en - op lokaal niveau –
een nieuwe sheriff en een nieuw schoolbestuur.
Iedere macht heeft zijn eigen heldere legitimatie
en die komt van de burgers zelf.
Vergelijk dat eens met de gang van zaken in ons land!
Wij brengen één keer in de vier jaar een stem uit voor de Tweede Kamer.
En daaruit vloeit dan alle macht voort:
De wetgevende,
de bestuurlijke en de rechtsprekende, (de benoeming van rechters.)
Alles in één stem.
Terwijl je de machtsvorming en de machtsuitoefening
juist goed uit elkaar moet houden.
Maar in Nederland lopen al die fases kris kras door elkaar.
We kiezen in Nederland voor de wetgevende macht,
maar de campagne die eraan vooraf gaat, gaat uitsluitend over de bestuurlijke macht.
Sterker nog: over de vraag wie er minister-president mag worden.
Formeel niet natuurlijk.
Formeel kiezen we gewoon de Kamer.
Maar de belangstelling van de kiezer wordt gewekt
door hem aan te spreken op het machtsinstinct en op de wedstrijd.
Wie wordt de grootste?
Want die mag de premier leveren.
Misschien nog wel erger dan al deze institutionele zwaktes
is de afbrokkeling van het besef,
dat de drie machten op veilige afstand van elkaar moeten blijven.
Vooral politici zijn geneigd buiten hun boekje te gaan.
Die gaan zich dan bemoeien met de rechtspraak.
.
In de wet staat dat ‘haat zaaien’ verboden is.
Of en wanneer daar sprake van is,
daarover kun je van mening verschillen,
maar het is aan de rechter om daar een uitspraak over te doen.
Het is het wezen van onze rechtspraak.
Maar zodra daarover een relletje ontstond,
riepen sommige politici prompt
dat ze desnoods de wet wel zullen aanpassen.
Dat kan altijd,
maar laat dan wel eerst de rechter zijn werk doen.
Plaats willen nemen op de rechtersstoel,
en ook publieke uitingen van onvrede over een uitgesproken vonnis.
Het zijn verschijnselen in de politiek
die afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van de rechter.
En zetten daarmee de bijl aan de wortel van de rechtstaat.
Het besef dat de drie machten een zekere onafhankelijkheid genieten,
was tijdens de laatste kabinetsformatie zelfs even helemaal weg.
De onderhandelaars gaven iets weg wat niet eens van hen is:
het recht een parlementaire enquête uit te voeren
naar de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak.
Ze maakten er een afspraak over.
De afspraak dat parlementaire controle op een wezenlijk punt:
waarheidsvinding over steun aan een aanvalsoorlog,
-
-het grondwettelijk recht van het parlement, –
achterwege moet blijven.
Hier manifesteerde zich een gebrek aan democratische moraal.
Pacta democratica non sunt servanda:
over democratische rechten maak je geen politieke deals.
Er is maar één parlement dat daar genoegen mee neemt.
…………….
Het is overigens niet mijn bedoeling
om in sombere bespiegelingen te blijven hangen.
Ik ben niet vergeten dat we ook een bevoorrecht land zijn.
Het fundament van de rechtstaat ligt er.
We hebben een sterke positie in de internationale economie.
De instituties van de verzorgingsstaat
bieden opleiding, inkomensondersteuning, zorg en onderwijs.
En we zijn ons zeer bewust
dat we steeds alle zeilen bij moeten zetten
om de kwaliteit op orde te houden en te verbeteren.
Is het dan niet eigenaardig te constateren
dat er naast deze daadkracht
zo veel achterstallig onderhoud is
aan onze democratie en cultuur?
Beide bestaan bij de gratie van actieve burgers,
van mensen die mee willen doen,
die serieus genomen willen worden,
die vragen durven stellen en antwoord willen krijgen,
die hun talenten en interesses willen uitbuiten.
Maar dat actieve burgerschap is niet vanzelfsprekend.
Mensen worden niet geboren
met een scherpe pen en een blik op de wereld.
Ieder mensenkind wordt een levenlang
al dan niet opgevoed, gevormd, geschoold en gestimuleerd.
En heel vaak nog stokt de ontwikkeling,
haken mensen af,
verdwijnt de interesse,
En verdampt de uitdaging.
Vooral veel lager opgeleiden keren zich af van de politiek.
Zij hebben er geen vertrouwen meer in,
dat hun noden en zorgen serieus worden genomen.
Ze voelen zich onbegrepen,
in hun angst voor mondiale crises,
Europese integratie en migratiestromen.
Populisten spelen daar behendig op in,
blazen tegenstellingen aan,
en propageren het heil van een utopische nationale monocultuur.
Anderen staan aan de verleiding bloot
om mee te deinen op de golven van dat populisme.
Dat is voor mij geen oplossing.
Ik besef dat de afgelopen jaren
veel over democratie en de noodzaak van vernieuwing
is gezegd en geschreven.
Ik ben me er van bewust,
dat mijn partij daar in hoge mate schuldig aan is.
Ik zie ook wel in dat alle voorstellen
die de laatste veertig jaar zijn gedaan
voor- en nadelen hadden.
En ik wil zelfs nog wel ruiterlijk erkennen
dat diegenen die deze voorstellen afwezen,
niet per se mindere democraten waren
dan degenen die ze omarmden.
Maar ik kan er geen begrip voor opbrengen
als men de suggestie wekt
dat we het denken over democratie
dan maar op een laag pitje moeten zetten.
Denken over democratie
is durven benoemen waar we vastlopen.
Waar ons gecompliceerde stelsel
van legitimatie en besluitvorming verzandt.
En voor betrokken burgers
een onherkenbare brij wordt van getrapte machtsvorming,
anonieme volksvertegenwoordigers
en zielloze compromissen.
Denken over democratie
is denken over de schaal van onze maatschappelijke problemen.
En over de vraag
hoe zowel hoger als lager opgeleiden
bij de oplossing kunnen worden betrokken.
Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst
van een nog te voeren debat.
Ik heb er wel een vermoeden van.
De onvermijdelijke conclusie zal zijn
dat meer directe vormen van democratie
zowel wenselijk als haalbaar zijn.
Want alleen op die manier
worden politici en partijen gedwongen
om rekening te houden met de stem van alle betrokkenen.
Of ze nu hoger of lager opgeleid zijn.
Wie durft te denken, mag ook kritiek verwachten,
en bezwaren tegen concrete voorstellen.
Dat is niet erg; dat moet.
Maar wat echt zorgen baart
is het moedeloos stemmende machtsconservatisme
dat geen enkele vernieuwing toestaat.
Omdat het zich daardoor per definitie bedreigd weet.
Sinds 1919 is elke wezenlijke aanpassing
van ons democratisch erfgoed op vakkundige wijze
door de nieuwe regenten van dienst geblokkeerd.
We naderen 100 jaar van stilstaande staatkunde.
Ik blijf mij daartegen verzetten.
Niet uit liefhebberij maar uit noodzaak.
Kiezers snakken naar politici,
waarmee ze een persoonlijke band hebben.
Naar een regering, die het mandaat heeft
om veranderingen door te voeren.
Naar een parlement dat tegenspel biedt.
Als ik nou zeg dat we aan deze verlangens tegemoet moeten komen,
klinkt dat dan erg idealistisch?
Misschien.
Maar als de Amerikaanse president
zijn droom over een kernwapenvrije wereld met ons deelt.
Kunnen wij dan niet
een moderne democratische samenleving vormgeven,
die de vergelijking met andere westerse democratieën kan doorstaan?
Ik ben pragmatisch genoeg om te denken dat dat kan.
……………..
Laten we ook praktisch te werk gaan
als we het over integratie hebben.
Integratiepolitiek is met de beste bedoelingen gemaakt.
Zeker, maar het is allerminst effectief.
Zou het niet verstandig zijn deze politiek maar af te schaffen?
Die vraag rees ook bij een jonge, sociale wetenschapper, Willem Schinkel.
Hij vatte het zo samen:
“Al die hedendaagse zogenaamd ‘praktische’ begrippen,
zoals de ‘cultuur van migranten’,
hun ‘afstand tot de samenleving’,
hun gebrekkige ‘integratie’;
daar is slechts één ding ‘praktisch’ aan:
in de praktijk reproduceren ze steeds weer een scheiding
tussen ‘de samenleving’
en de ‘te integreren’ burgers.”
Dan zeg ik op mijn beurt: dat kan toch niet de bedoeling zijn?
Mijn doel is een samenleving die samenbindt in plaats van splijt.
Met ruimte voor andersluidende opvattingen,
voor continue duiding, opinie en debat.
Daar hoort ook een sterk ontwikkelde culturele sector bij,
met alle instituties die daarin een rol spelen:
kranten, omroepen,
theaters, filmhuizen, bladen,
toneelgezelschappen, uitgevers.
En al die instituties staan onder druk.
Ze staan onder druk door nieuwe informatiebehoeften.
Niet alleen omdat Internet
net iets te gemakkelijk als alternatief wordt gezien,
maar ook omdat we ze teveel als franje van de samenleving zien.
Als het toefje,
terwijl een actieve cultuur
de taart van de moderne democratische samenleving kan zijn.
Zo bezien heeft Nederland
opnieuw behoefte aan mensen als Van Randwijk.
Mensen die boeken schrijven en gedichten.
Mensen die nieuwe bladen oprichten,
tegen de verdrukking in,
Mensen die eigen meningen blijven verkondigen,
waarin idealisme samengaat met pragmatisme.
Maar we hebben ook behoefte aan een overheid,
die niet alleen oog heeft voor de banken,
voor de economie, de zorg en de sociale zekerheid,
maar die ook een actief cultuurbeleid voert,
waarin mensen als Van Randwijk kunnen gedijen.
……………..
Van Randwijk zette zich in voor een Vrij-Nederland.
Wat dat toen betekende was zonneklaar:
bevrijd van de Duitse bezetter.
Dat vieren we vandaag.
Maar wat te doen om na de verdrijving van tirannie
politiek gestalte te geven aan die herwonnen vrijheid
was minder evident.
Dat bleek een moeilijke taak,
die alleen door samenwerking tussen politieke tegenstanders
volbracht kon worden.
Ook in onze tijd van crisis en drift
moet de betekenis van een vrij Nederland
opnieuw doordacht worden.
Vrijheid komt toe aan het individu,
maar is niet louter een privé zaak.
Vrijheid heeft gemeenschap nodig.
De vraag is alleen welk soort gemeenschap.
Gaat het om een eenheid van waarden en cultuur
die vanouds geacht werd te bestaan.
En waarvan we denken,
dat we die opnieuw kunnen afdwingen
door een nieuw nationaal bewustzijn
met eigen canons en symbolen?
Of gaat het om een gemeenschap van mensen
die over waarden,
over het verleden en de toekomst,
heel verschillend mogen denken.
Maar tegelijkertijd beseffen dat ze in vrede,
via politieke strijd met woorden,
hun lotsverbondenheid gestalte willen geven
Zodanig dat er voor iedereen een plaats is als vrije burger?
Ik kies voor dat laatste.
Richtingwijzers voor een progressieve sociaal-liberale visie
‘Naar boven kijken in de Trêvezaal’
lees verder


