Luister naar deze pagina met proReader

Meritocratie vs democratie

De spagaat van politieke partijen

Nederlandse politieke partijen bevinden zich in een spagaat. Aan de ene kant willen ze politici rekruteren op basis van hun expertise, verdienste of vaardigheden. Aan de andere kant moeten politici dicht bij ‘het volk’ of de leden staan, en moeten ze weten wat zij willen. Het eerste, meritocratische principe lijkt de laatste decennia steeds belangrijker te worden. Met het risico van vervreemding van het volk.  

Paul Lucardie

Meritocratie is eigenlijk een hybride woord: merito komt uit het Latijn (meritum=verdienste), cratie uit het Grieks (kratos=macht, regering). Zoeken we een zuivere Griekse term voor de ‘regering van verdienstelijken’, dan komt ‘aristocratie’ waarschijnlijk het meest in de buurt: ‘aristos’ betekent immers ‘de beste’. Deze taalexcursie geeft al aan dat meritocratie op gespannen voet kan staan met democratie. Een regering van verdienstelijken is niet een regering van het volk – ook niet als het volk die verdienstelijken heeft gekozen. Elke (democratische) verkiezing leidt in principe tot een vorm van aristocratie, zoals Aristoteles al vaststelde. Het politieke bestel dat we in Nederland kennen – en in de meeste andere landen tegenwoordig – is dan ook eigenlijk een mengvorm tussen aristocratie en democratie. De meeste besluiten worden door een betrekkelijk kleine groep politici – de aristoi – genomen, maar de samenstelling van die groep wordt voor een groot deel bepaald door de demos, het volk. Het volk mag immers op verkiezingsdag een keuze maken uit de kandidaten die de politieke partijen voor Tweede Kamer, Staten of gemeenteraad geselecteerd hebben. Politieke partijen vervullen hiermee een centrale rol in ons bestel.

Binnen een partij strijden meritocratische (aristocratische) en democratische principes om voorrang. Aan de ene kant zoekt een partij naar kandidaten die uitblinken in hun vak, specialistische kennis op bepaalde beleidsterreinen hebben vergaard en groot aanzien en populariteit in de samenleving genieten – of dat nu als hoogleraar is of als sportheld. Aan de andere kant moeten de kandidaten niet te ver van het volk afstaan en dienen ze te weten wat het volk wil. Sommige partijen leggen meer nadruk op het democratische principe, andere op het meritocratische. Een evenwicht tussen beide principes lijkt me wenselijk – maar staat in toenemende mate onder druk, zoals ik hieronder poog aan te tonen.

Massapartijen

De ideologisch of levensbeschouwelijk geïnspireerde massapartij die eind 19e eeuw ontstond, trachtte zoveel mogelijk het volk, of liever gezegd een deel van het volk, te vertegenwoordigen – uiteraard binnen de context van de eigen ideologie. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) richtte zich vooral op de arbeidersklasse, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op de Calvinisten, de Katholieke Volkspartij (KVP) en haar voorgangers op het katholieke volksdeel. De interne democratie was in de centraal en hiërarchisch opgebouwde massapartij verre van volmaakt, maar in theorie beslisten de leden over de kandidatenlijst en het verkiezingsprogram. En in theorie vormden de leden van alle partijen samen het volk – of tenminste een dwarsdoorsnede uit het volk. Elke kiezer werd opgeroepen om lid te worden of tenminste de partijkrant te lezen en deel te nemen aan betogingen en andere partijactiviteiten. Anno 1950 was ongeveer een kwart van de katholieke kiezers lid van de KVP. Het verkiezingsprogram vormde een samenvatting van de belangrijke eisen en belangen van het volk(sdeel). De door de partij voorgedragen volksvertegenwoordigers moesten in de eerste plaats dat programma uitvoeren, de ideologie uitdragen en het belang van hun volksdeel behartigen. Vaak vertegenwoordigden ze bovendien nog een georganiseerd deelbelang binnen hun partij; zo telde de Kamerfractie van de KVP meestal wel één of meer bestuurders van de katholieke vakbeweging en van de katholieke boeren- en tuindersbond. Deskundigheid kwam op de tweede plaats – tot ongenoegen van sommige intellectuelen in die massapartijen. 

Kaderpartijen: van notabelenpartij naar campagnepartij

Tegenover de ideologische massapartij stond in de 19e eeuw de pragmatische kaderpartij, soms ook notabelenpartij genoemd. Dat was een tamelijk los verbond van lokale kiesverenigingen die eigenlijk alleen als taak hadden om (lokaal of landelijk) vooraanstaande en bekende kandidaten te werven en bij hun verkiezingscampagne te steunen. De gekozen kandidaten werden geacht het landsbelang te dienen volgens eigen eer en geweten en werden daarbij nauwelijks gehinderd door een verkiezingsprogram. Ze zagen zich eerder als gevolmachtigde (trustee ) dan als afgevaardigde (delegate ) van het volk dat hen gekozen had.

In de loop van de 20e eeuw hebben de ideologische massapartijen hun ideologie laten verwateren en hun massale aanhang verloren; ze noemen zich nu meestal ‘volkspartijen’ en hebben kenmerken van de pragmatische kaderpartij overgenomen. De SP en de ChristenUnie vertonen wellicht nog de meeste trekken van een ideologische massapartij (ook al is de massa bij de ChristenUnie niet zo heel groot). De notabelenpartijen zijn verdwenen of hebben zich gemoderniseerd. De moderne kaderpartij heeft een permanente, professionele staf en voert bijna permanent campagne – ze wordt dan ook wel campagnepartij genoemd. Ze stelt wel verkiezingsprogramma’s op, maar laat haar kandidaten toch betrekkelijk vrij in de uitvoering daarvan. Kandidaten worden vooral geselecteerd op deskundigheid en maatschappelijke ervaring. Ze hebben nauwelijks nog banden met de georganiseerde achterban – die trouwens steeds minder georganiseerd en steeds meer geïndividualiseerd raakt.

PVV en D66

Een extreem voorbeeld van een dergelijke campagnepartij lijkt de Partij voor de Vrijheid (PVV), die wel een (kleine) professionele staf heeft maar vooralsnog geen leden – afgezien van Wilders. Leden vormen volgens Wilders maar al te vaak een barrière tussen het volk en zijn vertegenwoordigers. Op het eerste gezicht is de PVV niet erg pragmatisch, gezien het fanatisme waarmee ze haar standpunten over de Islam uitdraagt. Op staatkundig gebied lijkt ze ook vrij consequent naar democratisering te streven. Echter, op veel andere punten en met name op sociaal-economisch terrein past ze haar standpunten soepel aan. Wilders zoekt met zorg kandidaten uit met een zekere staat van dienst op maatschappelijk terrein en niet zozeer een zware ideologische bagage.

En D66? De Democraten hebben wel een ideologie, het sociaal-liberalisme, maar gaan daar pragmatisch mee om.

Volksvertegenwoordigers krijgen geen strikt mandaat mee, maar genieten tamelijk veel vrijheid. Ze worden - naar mijn indruk - veelal ook op deskundigheid geselecteerd. D66 is geen massapartij, maar gunt haar leden via ledencongres en partijreferenda meer invloed op kandidaatstelling en programmatische besluiten dan de meeste andere partijen. Ze heeft dus iets van beide typen in zich, maar wellicht toch iets meer kenmerken van een moderne kaderpartij of campagnepartij dan van een ideologische massa- of volkspartij. Merkwaardig genoeg streeft D66 bovendien naar soortgelijke staatkundige hervormingen als de PVV. Beide willen het bestel democratiseren door invoering van een referendum en directe verkiezing van minister-president, burgemeester en Commissaris van de Koningin, terwijl ze op andere terreinen, met name het immigratie- en integratiebeleid, diametraal tegenover elkaar staan. Dat D66 de interne democratie koestert en de PVV die totaal afwijst, is natuurlijk van belang voor de leden, maar niet voor de kiezers. Hoogstens twee of drie procent van de kiezers wordt doorgaans lid van de partij die ze steunen (bij SGP, ChristenUnie en SP iets meer; bij PvdA en CDA iets minder). 

Meritocratische tendensen

Niet alleen in de politiek maar in de hele samenleving lijkt de behoefte aan professionalisering en meritocratie toe te nemen. Als een bepaalde handeling ‘onprofessioneel’ genoemd wordt, geldt dat als zware kritiek – op het sportveld, in de klas, op het toneel, bij de politie en in de politiek. Politicus wordt steeds meer een beroep waarvoor je na je studie kunt kiezen, net als accountant, arts of advocaat. Om volksvertegenwoordiger te worden, hoef je niet meer jaren partijkrantjes rond te brengen – dat gaat via internet tegenwoordig. Je kunt vaak volstaan met het bijwonen van een enkele vergadering; of zelfs wachten tot je voorgedragen wordt en dan gauw lid worden van de partij die je kandidaat wil stellen. Terwijl de partijen profesioneler worden, lopen de leden weg – dat geldt overigens niet alleen voor politieke partijen, maar ook voor vakbonden, kerken en veel andere verenigingen. Burgers volgen de politiek hoogstens op afstand, via krant, TV of internet. De afstand tussen professionele politici en ongeorganiseerde kiezers groeit dan ook gestaag – in de waarneming van beide. Interne democratisering van partijen kan die afstand niet overbruggen.

Of externe democratisering van het politiek bestel dat wel kan, moet nog blijken. Invoering van een referendum kan de partijloze burger wel enige invloed bieden, maar kan ook tot frustratie leiden. Dat geldt ook voor andere mogelijkheden, zoals recall – het recht om bestuurders en volksvertegenwoordigers tussentijds af te zetten – en invoering van burgerfora: door een vorm van loting geselecteerde groepen burgers die hun mening geven over een bepaald probleem. Zelfs indien de Eerste Kamer door loting een nagenoeg perfecte afspiegeling van de bevolking zou vormen – een radicaal idee dat door kleine groepen in diverse landen geopperd wordt – is niet zeker dat de bevolking zich daarin ook zal herkennen.

Niettemin lijkt het wenselijk dat juist een moderne kaderpartij zich met dit soort voorstellen bezig houdt, omdat ze geen illusies meer koestert dat ze als massapartij zelf het volk belichaamt. En af en toe op straat of in een café ‘naar de burger luisteren’ is natuurlijk niet voldoende.

Men moet echter evenmin de illusie koesteren dat referendum, recall of burgerfora ons een zuivere democratie zullen brengen waarin het hele volk deelneemt aan het besluitvormingsproces. Het zou mijns inziens al heel wat waard zijn als de toenemende meritocratiseringstendens enigszins afgeremd of gecompenseerd zou kunnen worden.

Gebeurt dat niet, dan kunnen we in ‘The Rise of the Meritocracy, 1870-2033’ lezen wat ons waarschijnlijk te wachten staat. De Britse socioloog Michael Young liet al vijftig jaar geleden in deze satire zien hoe de ongediplomeerde massa uiteindelijk tegen de academisch gevormde elite in opstand komt – en niet meer electoraal maar met geweld. De spanning tussen democratische retoriek en aristocratische praktijk zou tegen 2033 te groot worden. Zo ver zijn we nog niet, gelukkig, maar kunnen we ons veroorloven de spanning veel verder op te laten lopen?  

Paul Lucardie is als politicoloog werkzaam bij de Rijksuniversiteit Groningen. Klik hier voor meer publicaties van deze auteur.

Dit is een artikel uit Idee (2009), 'Meritocratie', jaargang 30, nummer 5. pp. 14-17.

 


mail deze pagina naar een vriendprint pagina