Luister naar deze pagina met proReader

U bevindt zich op: homenieuwsnieuwsbericht

dinsdag 7 november 2006

Bijdrage Hans Engels aan het debat over verruiming bevoegdheden terroristische misdrijven

BIJDRAGE FRACTIE D66 AAN PLENAIRE DEBAT WETSVOORSTEL 30164

(WET VERRUIMING BEVOEGDHEDEN TERRORISTISCHE MISDRIJVEN)

(Hans Engels)

Mag ik beginnen de minister en via hem zijn voorganger en de ambtelijke medewerkers dank te zeggen voor de uitgebreide en instructieve beantwoording van de door de fractie van D66 gestelde vragen in de schriftelijke voorbereiding. Het gaat hier om een belangrijk wetsontwerp, waarmee enkele verruimingen op het gebied van de opsporing en vervolging centraal staan. Daarmee is in de eerste plaats opnieuw een aantal fundamentele kwesties gemoeid in de verhouding tussen het belang van terrorismebestrijding en het belang van rechtsstatelijke waarborgen. In de tweede plaats ligt daarmee opnieuw de vraag voorl naar de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Ik gebruik bewust het woord ‘opnieuw’, omdat dit voorstel moet worden gezien in samenhang met een reeks van andere wetsvoorstellen in het kader van de bestrijding van het terrorisme, waarvan er inmiddels vele in werking zijn getreden. Recentelijk bespraken wij hier bijvoorbeeld nog het wetsvoorstel afgeschermde getuigen.

Mijn fractie heeft in dat verband regelmatig de vraag gesteld wat deze regelgeving betekent voor de aard en de systematiek van ons straf(proces)recht.

De minister heeft de consequente neiging de gevolgen van de specifieke wetgeving voor het commune straf(proces)recht als verwaarloosbaar te kenschetsen. Blijkbaar is de redenering de volgende. Zolang elk van de afzonderlijke wettelijke maatregelen als zodanig binnenuiten de bestaande rechtssystematiek en binnen de grenzen van de bestaande rechtsstatelijke waarborgen blijft, en zolang per maatregel aan eisen van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit wordt voldaan, past ook het geheel van de maatregelen aan al deze bovengenoemde elementen.

Dat klinkt op het eerste gezicht plausibel en acceptabel. Bij scherper toezien overtuigt deze benadering echter niet. Het was nu immers juist de specifieke aard van terroristische misdrijven die tot dusver steeds als rechtvaardiging is aangevoerd om tot andere afwegingen te komen ten aanzien van bijvoorbeeld de bescherming van fundamentele vrijheden. Niet voor niets duikt ook in de antwoorden van de minister regelmatig de term ‘ingrijpend’ op. En steeds is ook erkend dat met deze aangescherpte maatregelen verdergaande inbreuken op de rechten van burgers mogelijk en ook noodzakelijk zijn. Mijn fractie meent in dat licht dat van een inkadering van de wetgeving ter bestrijding van het terrorisme binnen het reguliere straf(proces)recht slechts in formeel opzicht sprake is. Feitelijk leidt een cumulatie van deze afzonderlijke regelingen naar onze mening tot een groeiende spanning met het commune starf(proces)recht en met de rechtsstatelijke rechten en vrijheden van burgers.

Graag nodigen wij de minister uit nog eens te beargumenteren waarom wij zouden moeten blijven doorgaan op het pad van het opstellen van afzonderlijke wettelijke regelingen in het kader van de bestrijding van het terrorisme. Zou het uit een oogpunt van wetsystematiek, of van eenduidige wetstoepassing, of ter voorkoming van de uitstraling van dit type specifieke regelgeving naar het reguliere straf(proces)recht niet verstandig zijn een apart domein voor deze specifieke wetgeving te scheppen? Mijn fractie kan zich in dat verband - anders dan de minister op p. 9 van de Memorie - overigens nauwelijks voorstellen dat bijvoorbeeld een apart wetboek van terroristische misdrijven de toetsing aan de reguliere waarborgen en grondpatronen onmogelijk zou maken.

Mijn fractie is er evenmin van overtuigd dat dit wetsvoorstel geen effect zal hebben op de opsporing van andere dan terroristische misdrijven. Op zichzelf genomen is het juist – zoals de minister stelt op p. 8 van de Memorie stelt – dat de toepassing van de verruimde bevoegdheden op andere dan terroristische criminaliteit niet mogelijk zou zijn. Maar wat ons betreft is dat alleen in formeel opzicht zo. Onze bezorgdheid op dat punt was nu juist ingegeven door de mogelijkheid dat in de opsporingspraktijk het onderscheid tussen terroristische en andere misdrijven niet altijd gemaakt zal worden. De gewenning aan verruimde bevoegdheden vergroot de kans dat deze ook bij andere zware vormen van criminaliteit in beeld komen. En dan kan de minister wel zeggen (p. 8 MvA) dat het in beginsel positief gewaardeerd moet worden wanneer politie en OM de uiterste grenzen van nieuwe bevoegdheden willen opzoeken, maar dat neemt onze bezorgdheid geenszins weg. Integendeel. Graag vragen wij de minister nog eens te verduidelijken wat hij hier precies bedoelt.

Mijn fractie heeft in het verslag gesproken over steeds verdergaande ingrepen in de persoonlijke levenssfeer, een verlaging van de drempel voor preventieve vrijheidsbeneming en een verzwakking van de positie van de verdediging in het vooronderzoek. Het is juist dat de nationaal en internationaal gewaarborgde grondrechten inbreuken op de werking daarvan impliceren. Het is ons ook bekend dat de ‘Guidelines on human rights and the fight against terrorism’ van de Raad van Europa zekere verdergaande beperkingen van de verdedigingsrechten aanvaarden. Intussen wordt het mogelijk dat bewaring kan worden bevolen bij verdenking van een terroristisch misdrijf, ook buiten het geval van ernstige bezwaren. Dat lijkt ons - anders dan de minister meent – wel degelijk een verlaging van de drempel voor preventieve vrijheidsbeneming. Intussen wordt het mogelijk dat gedurende de voorlopige hechtenis niet al het verzamelde materiaal kenbaar behoeft te worden gemaakt aan de verdachte, als een dringend belang van het onderzoek zich daartegen verzet. Dat dit alles in het licht van artikel 5 en 6 van het EVRM niet onmogelijk moet worden geacht is formeel inderdaad juist. Onze zorg is echter of wij alles bij elkaar genomen niet teveel de uiterste grenzen van onze fundamentele rechten vrijheden zijn gaan opzoeken. Ons zorg is ook of als gevolg van dit type regelgeving het algemene strafrechtelijke klimaat in Nederland over het geheel genomen niet al te zeer zal worden aangescherpt. Graag vraag ik de minister of hij gemotiveerd kan aangeven in hoeverre hij deze zorg van mijn fractie deelt.

Een volgende kwestie is het nut en de noodzaak van een wettelijke omschrijving van het begrip ‘aanwijzingen’, waar reeds uitvoerig over is gediscussieerd. Ik heb mijn fractie kunnen overtuigen dat de wetsgeschiedenis op zichzelf genomen voldoende aanknopingspunten kan bieden voor de interpretatie van dit begrip. Dat geldt ook voor de aanname dat de rechter daarin geen motief zal vinden om tot een al te restrictieve uitleg daarvan te komen. Dat neemt niet weg dat mijn fractie het gevoel blijft houden dat een nadere omschrijving in de wet beter zou zijn. Het argument dat dit voor de praktijk van de opsporing onnodige inperkingen mee zou brengen stelt mijn fractie allerminst gerust. De rechtszekerheid ziet niet alleen op de opsporingsambtenaren, het OM en de rechter, maar is ook een belang voor burgers. Dat geldt zeker voor maatregelen tegen terrorisme. Deelt de minister de mening van mijn fractie dat een mogelijke willekeurige toepassing van verruimde opsporingsbevoegdheden moet worden voorkomen? Zou een nadere wettelijke omschrijving van het begrip ‘aanwijzingen’ daaraan niet een goede bijdrage leveren? Graag verneem ik de reactie van de minister op deze twee vragen.

Tot slot is er de kwestie van de relatie tussen artikel 126 zk en de gemeentewettelijke bevoegdheden inzake veiligheidsrisicogebieden, zoals verwoord in de brief van de G4-burgemeesters van 3 november. Uiteraard willen wij de minister graag vragen in te gaan op de 10 bezwaren die in deze brief zijn ingebracht tegen dit onderdeel van het wetsvoorstel. Mijn fractie meent dat hier toch een aantal problemen ligt.

Artikel 126 zk geeft de OvJ de bevoegdheid ingeval van een terroristische dreiging tijdelijk een gebied aan te wijzen, waar de politie gedurende 12 uur – blijkens de MvT bij dit artikel - ‘preventief’ mag fouilleren. Deze formulering suggereert enigszins ongelukkig een verband met de gemeentewettelijke bevoegdheid inzake preventief fouilleren. Dit wetsvoorstel richt zich echter op de opsporing, terwijl de Gemeentewet uitgaat van preventieve controle uit een oogpunt van openbare orde-handhaving. Het zou goed zijn te bezien op welke wijze kan worden voorkomen dat een directe relatie wordt gelegd met de Gemeentewet, zodat niet onnodig inbreuk wordt gemaakt op de op grond van die wet ontwikkelde systematiek.

Graag horen wij welke mogelijkheden de minister daarvoor ziet.

Artikel 126 zk geeft in lid 4 de bevoegdheid bij amvb permanente veiligheidsrisicogebieden aan te wijzen, waarin de politie vervolgens zonder verdere tussenkomst van de OvJ de in de artikelen 126 zk, zl en zm genoemde bevoegdheden (waaronder selectief fouilleren) kan uitoefenen. Deze bepaling lijkt eerder een preventieve maatregel dan een opsporingsbevoegheid in het leven te roepen. Ook hier openbaart zich een nauwe samenhang met de Gemeentewet, waarvan mijn fractie zich afvraagt of dit wel verstandig is.

Dit voorschrift is blijkbaar opgenomen uit een oogpunt van slagvaardig politieoptreden. In de praktijk blijkt echter dat de tussenkomst van de OvJ weinig tijdverlies oplevert. Graag vragen wij de minister of het toch niet belangrijk is de extra toets door de OvJ te behouden om te voorkomen dat bevoegheden te snel worden ingezet. Zou de minister bereid zijn te overwegen de in het vierde lid van artikel 126 zk opgenomen bevoegdheid niet in het leven te roepen, of zelfs via een novelle te laten vervallen. De vorige minister was – als enige - principieel tegen het instrument novelle, maar wellicht kan de huidige minister zich beter vinden in de heersende staatsrechtelijke opvattingen op dit punt.

Meer over...

Deel dit item:
mail deze pagina naar een vriendprint pagina
 
 

Blog Sophie in 't Veld

Transfer Passenger data, European Parliament to do the dirty work?

On April 20th the European Parliament will take the final vote on the EU-US Agreement on the transfer of Passenger Name Records. The pressure to adopt the Agreement is huge. The supporters of the Agreement claim it is ...
lees verder
ALDE