U bevindt zich op: home
nieuws
nieuwsbericht
Bijdrage van Hans Engels aan het debat over de Kaderwet ZBO's
PLENAIRE BIJDRAGE FRACTIE D66 KADERWET ZBO’S (27426)
(Prof. mr. J.W.M. Engels)
Laat ik beginnen uit te spreken dat de fractie van D66 is bereid mee te werken aan de afhandeling van dit wetsvoorstel. De Kaderwet biedt goede aanknopingspunten voor een verbetering van de democratische controle op en een versterking van de legitimatie van zelfstandige bestuursorganen. Er komt met deze wet wat meer overzichtelijkheid en eenheid in de regeling van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van zbo’s. Tegelijkertijd blijft er enige flexibiliteit voor de wetgever om bij de instelling van een zbo zo nodig en gemotiveerd van dit kader af te wijken.
Met deze Kaderwet is met andere woorden niet het eindpunt bereikt waar het gaat om een verheldering van de bevoegdheids- en verantwoordelijkheidsrelatie tussen ministers en zbo’s. In het door art. 42 opgelegde proces tot standaardisering van alle bestaande instellingswetten ligt een beleidsvraag besloten die materieel in nauw verband staat met deze procedurele Kaderwet. Die vraag betreft hoe wij verder moeten met de zbo-figuur en raakt bij uitstek het centrale probleem van dit type organen: welke taken en bevoegdheden zetten wij op afstand van de ministeriële verantwoordelijkheid?
Het antwoord op deze vraag impliceert in beginsel een algehele herijking van de bestaande zbo’s. Er zal in ieder geval een scherpere toets worden uitgevoerd op de instellingsmotieven voor een zbo, zo blijkt uit het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport van de commissie-Kohnstamm. Mijn fractie kan die benadering wel volgen. Niet alle publieke belangen moeten per definitie als overheidstaak worden aangemerkt. Is er wel sprake van een overheidstaak dan kan nadrukkelijk ook naar de mogelijkheid van decentralisatie gekeken worden. Maar het niet onder ministeriële verantwoordelijkheid uitvoeren van rijkstaken moet in beginsel als een uitzondering worden gezien.
De eerstvolgende concrete stap is nogmaals om vóór 2008 tot een oordeel te komen over de vraag welke zbo’s onder de in de Kaderwet gestelde criteria dienen te vallen. Mijn fractie kan zich dit proces niet anders voorstellen dan dat in dat kader alle zbo’s worden beoordeeld. In dat licht zou het goed zijn als in dat proces aandacht wordt besteed aan problemen die recentelijk ook door de Algemene Rekenkamer (in het rapport ‘Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak’) onder de aandacht zijn gebracht. De Rekenkamer oordeelt dat deze RWT’s (waarvan de meeste de zbo-status hebben) onvoldoende inzicht bieden in belangrijke aspecten van hun functioneren. Zo kan men zich afvragen of er voldoende zicht is op de bedrijfsvoering, met name in relatie tot de vraag of de publieke belangen daarin goed gewaarborgd zijn. In dat verband kan worden gedacht aan de formele en inhoudelijke kwaliteit van de output en aan de hoogte van de gehanteerde tarieven en beloningen.
Een aantal gecertificeerde zbo’s heeft in dit verband gewezen op het belang van een zo zelfstandig mogelijke bedrijfsvoering en het bestaan van interne controlesystemen zoals een Raad van Toezicht. Hoewel het op zichzelf genomen juist is dat op afstand gezette instellingen in beginsel ruimte moeten hebben om zo onafhankelijk mogelijk te kunnen opereren, kan men zich uit een oogpunt van publiek belang en democratische controle toch afvragen of daarmee in voldoende mate sprake is van inzichtelijkheid in dat functioneren. De ministeriële jaarverslagen beperken zich thans tot uitzonderingsrapportages. Voor zover er Raden van Toezicht interne controle uitoefenen op de bedrijfsvoering is 37% van die organen niet door de betrokken minister benoemd.
Bovendien heeft de minister bij 40% van de RWT’s geen zeggenschap over de beloningen van bestuurders. Gelet op deze bevindingen zou het goed denkbaar zijn alle RWT’s (en daarmee de zbo’s) te verplichten publieke jaarverslagen op te stellen waarin de kwaliteit van de prestaties en de kosten daarvan inzichtelijk worden gemaakt.
De fractie van D66 is met andere woorden ten volle bereid de stap naar deze Kaderwet te zetten. Wij realiseren ons daarbij wel dat er reden is voor een vervolgdiscussie met betrekking tot de vraag naar de aard en omvang van mogelijke nadere inperkingen op het functioneren van zbo’s op grond van de nog resterende ministeriële verantwoordelijkheid en daarmee ministeriële invloed.
Meer over...
Transfer Passenger data, European Parliament to do the dirty work?
lees verder



