U bevindt zich op: home
nieuws
nieuwsbericht
Minister Kamp moet zich verantwoorden in de Tweede Kamer
Een verkorte versie van onderstaand artikel verscheen op 20 november in De Volkskrant.
Minister Kamp beklaagt zich erover dat de Kamer hem ter verantwoording roept twee dagen vóór de verkiezingen. Volgens de VVD gaat de oppositie onverantwoord om met een belangrijke kwestie als mogelijke misdragingen door Nederlandse militairen jegens Irakese gevangenen. VVD, CDA en het kabinet willen een "onafhankelijk onderzoek", omdat dat zorgvuldiger zou zijn dan een Kamerdebat.
Dat is echter een merkwaardige omdraaiing. Het kan natuurlijk zijn dat relevante feiten alleen op tafel kunnen worden gebracht wanneer daar nader onderzoek naar wordt gepleegd. In dat geval is het inderdaad goed om dat onafhankelijk te laten doen, of zonodig ook parlementair onderzoek te starten, indien nog steeds vragen overblijven. Maar de kern van de relatie tussen parlement en minister is niet dat commissies worden ingesteld wanneer het moeilijk wordt, maar dat wezenlijke vragen over het gedrag van Nederlandse militairen in Irak in, nota bene, 2003, snel en adequaat worden beantwoord. Dat is wat het parlement in alle gevallen van een minister mag verwachten, of er nou verkiezingen zijn of niet. Dat is óók waar we de laatste dagen van de ene verwondering in de andere zijn gevallen.
Het was vrijdagochtend dat de Volkskrant voor het eerst van de (vermeende) feiten melding maakte. Of en in welke mate die gedragingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden kan natuurlijk niet alleen uit de krant worden geconcludeerd, dus is het logisch dat ogenblikkelijk de blik naar de minister gaat. Die moest echter eerst de ‘basisfeiten’ op een rijtje krijgen (“want het is al 1130 dagen geleden”). Toen hij die kennelijk had opgediept, kwam de minister ’s middags tot de conclusie dat er geen sprake was van strafrechtelijk relevante gedragingen, zo zou de Koninklijke Marechaussee hebben vastgesteld. Zo’n conclusie is echter niet aan de marechaussee, maar aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter. Maar of het OM überhaupt betrokken was geweest was de volgende kwestie.
Zaterdag bleek dat dit wel zo was en dat het OM de zaak zonder nader onderzoek had afgedaan. Maar daarna bleek weer dat de bevelhebber van de KMAR, destijds generaal Neisingh, zou hebben aanbevolen toch aangifte te doen. Nog wat later bleek het juridisch geweten van het departement, de heer Ybema, te hebben uitgezocht dat destijds helemaal geen bevoegdheid bestond om gevangenen te ondervragen – hooguit mochten ‘gesprekken’ worden gevoerd, zonder ‘enige dwang of dreiging’. Kennelijk was dit reden, zo meldde Chef Defensiestaf Berlijn op zondag, om de instructies voor Irak flink aan te scherpen. Maar dat had dan weer weinig gevolgen voor de minister, want die meldde een half jaar later (in mei 2004) rustig aan de Kamer dat er nooit sprake was geweest van enigerlei bericht over mogelijke problemen hierover in Al Muthanna. Dat echter grote spanning bestond tussen Koninklijke Marechaussee, Openbaar Ministerie, krijgsmacht en het Ministerie, was intussen gebleken naar aanleiding van de kwestie Eric O.
Kortom: vragen, onduidelijkheden, ongerijmdheden en verlegenheid. Maar de Kamer zou zich daar niet mee mogen bezighouden? Terwijl nog afgelopen week bleek van een conflict tussen de Nederlanders in de Afghaanse provincie Uruzgan en de Amerikaanse, Britse en Canadese coalitiepartners in het zuiden van dat land over een ‘te gewelddadig optreden’ van de laatste drie (aldus CDS Dick Berlijn). Waarop zij ogenblikkelijk antwoordden de Nederlanders ‘te soft’ te vinden.
Eén ding is duidelijk. Of het nu om Irak in 2003 en 2004 gaat, of om Afghanistan anno 2006, het gedrag, de instructies, en het bewustzijn over wat wel en niet mag (of moet) laat ernstig te wensen over. Nederland laat zich er echter op voorstaan tijdens dergelijke missies een andere aanpak dan veel andere landen te kiezen, de dutch approach, bedoeld om de hearts and minds van de lokale bevolking te winnen. Dat is op zichzelf een terechte benadering, maar het stelt tegelijkertijd hoge eisen aan praktijk en gedrag van Nederland op het gebied van de mensenrechten en het oorlogsrecht, juist als het moeilijk wordt, juist in conflictgebieden. Nederland mag het nooit op een akkoordje gooien met de Geneefse conventies, zoals de Amerikanen keer op keer lijken te doen.
Dat klemt te meer daar een paar dagen geleden bekend werd dat Nederland een flink aantal Talibanstrijders gevangen had genomen. Hoe wordt dáár dan mee omgegaan? Gelden ook nu de aanbevelingen van Ybema? Of zijn de instructies thans geheel anders, gelet op de verschillen in mandaat en opdracht van de Nederlandse militairen in Irak 2003 en Afghanistan 2006? Hoe zit dat, mag de Kamer daarover alsjeblieft worden ingelicht, en weten onze militairen ter plaatse dat ook?
Eén ding geef ik Kamp na: voor definitieve conclusies is het te vroeg. Maar de reden daarvoor is vooral dat we zo weinig weten, dat er geen helderheid is over de gang van zaken, en dat de
Kamer al die jaren niet is geďnformeerd over wat is voorgevallen. Dat alleen al is voldoende reden voor een scherp debat. Dat het erop lijkt dat ook daarna nog verder onderzoek nodig zal zijn om alle feiten op tafel te krijgen is echter bepaald geen pluim voor de minister.
Bert Bakker, tweede kamerlid voor D66.
Meer over...
Een leven lang leren
lees verder


