U bevindt zich op: home
nieuws
nieuwsbericht
Bijdrage Hans Engels aan het debat over deconstitutionalisering voorzitterschap Raad en PS
BIJDRAGE FRACTIE D66 PLENAIR DEBAT 29978
(DECONSTITUTIONALISERING VOORZITTERSCHAP RAAD EN PS)
(Prof. mr. J.W.M. Engels)
De fractie van D66 kan zich volledig vinden in dit voorstel om de grondwettelijke bepaling inzake het voorzitterschap van de gemeenteraad en de provinciale staten te schrappen. Het voorzitterschap van de decentrale volksvertegenwoordigingen is niet van constitutionele orde en derhalve kan de regeling daarvan worden overgelaten aan de gewone wetgever.
Daarnaast moet worden vastgesteld dat na de dualisering van het gemeentelijke en provinciale bestuursstelsel de vraag naar een ontvlechting van de combinatie van voorzitter van het college en voorzitter van de volksvertegenwoordiging in ieder geval uit een oogpunt van systeemconformiteit gerechtvaardigd is. In dat licht is het goed dat de beantwoording van deze vraag naar de aanvaardbaarheid van deze dubbelrol door de wetgever niet onnodig wordt bemoeilijkt door een grondwettelijk voorschrift. Een grondwettelijk voorschrift overigens dat in 1983 om puur strategische redenen in de Grondwet is opgenomen.
Wij hebben op dit moment overigens niet de behoefte nu al vooruit te willen lopen op de vraag hoe de wetgever de vraag naar de regeling van het voorzitterschap zou moeten beantwoorden, nadat deze Grondwetswijziging in tweede lezing zijn beslag heeft gekregen. Bij deze vraag speelt immers een aantal deelvragen die nog een grondige overdenking vragen. Bijvoorbeeld of de op zichzelf wenselijke systeemconformiteit zo ver moet gaan dat de burgemeester en de CdK in het geheel geen voorzitter meer kunnen zijn van de volksvertegenwoordiging, of dat het aanvaardbaar zij deze taak overdragen aan een plaatsvervangend voorzitter ingeval zij namens het college het woord voeren. Bijvoorbeeld of de wetgever zou moeten overgaan op het toestaan van een formele differentiatie waarbij het voorzitterschap per gemeente verschillend kan worden ingevuld. Bijvoorbeeld de vraag of de wetgever de regeling van het voorzitterschap zodanig open formuleert, dat gemeenten en provincies zelf kunnen bepalen wie zij als voorzitter wensen (met als derde variant een voorzitter ‘van buiten’). Bij dit alles is zelfs denkbaar dat de wetgever mogelijkheden schept het voorzitterschap te politiseren door aan deze functie allerlei bevoegdheden toe te delen welke thans aan de burgemeester en CdK als voorzitter van raad en PS toekomen.
Mijn fractie heeft in de schriftelijke voorbereiding gevraagd naar de samenhang van dit voorstel met de overige bepalingen uit Hoofdstuk 7 van de Grondwet. In de kern vroegen wij hoe uit een oogpunt van constitutionele orde en de systeemconformiteit van de verschillende hoofdelementen van het decentrale bestuur nog vastgehouden moet worden aan het hoofdschap van de raad en PS (art 125, lid 1) en de algemene autonome bestuursbevoegdheid van deze organen die mede besloten ligt in art 124, lid 1.
Mijn fractie is van mening dat deze beide elementen monistisch van aard zijn. Niet voor niets behoorden zij tot de pijlers van het door Thorbecke geïntroduceerde monistische bestuursmodel in 1848 en 1851. In een dualistisch stelsel, dat consistent wordt uitgewerkt, behoort niet één orgaan in beginsel over alle bevoegdheden te beschikken, behoort het volksvertegenwoordigende orgaan om die reden niet ook nog zelf te besturen of mee te regeren en kan de op zichzelf logische eindverantwoordelijkheid van raden en staten heel goed zonder een formeel-monistisch hoofdschap worden gewaarborgd.
Dat het kabinet ervoor kiest deze beide elementen te handhaven is dus wel buitengewoon wonderlijk. Dat dit standpunt ook niet meer is dan een politiek- normatief ingegeven wens om de dualisering niet verder te laten gaan dan de stand van nu, blijkt uit de argumentatie. Deze wens wordt nl. opgehangen aan de politieke keuze van het vorige kabinet om de dualisering in te voeren zonder Grondwetswijzigingen. De Staatscommissie Dualisering en lokale democratie wees terecht op de constitutionele complicatie dat voor een volledig doorgevoerde dualisering Grondwetswijziging op deze beide punten nodig zou zijn. Op pag 409 van het rapport staat wordt erkend dat “dat het grondwettelijk hoofdschap historisch nauw verweven is met de keuze voor een monistisch bestuursmodel”. Daarom ligt het volgens de Staatscommissie in de rede dat de grondwetgever zich over de afschaffing daarvan uitspreekt. In dezelfde grondwetswijziging zou dan als sluitstuk ook de autonome bestuursbevoegdheid in het ‘bevoegdhedenprimaat’van de raad naar het college moeten worden getransporteerd. Dat de voorzitter van de Staatscommissie er later ervoor heeft gepleit het bij wettelijke invoering te laten is een ander verhaal.
Wij begrijpen uiteraard heel goed dat de tegenstanders van de dualisering geen belang en dus ook geen boodschap hebben aan een zo groot mogelijke systeemconformiteit en constitutionele consistentie. Voor hen zijn het grondwettelijke hoofdschap en het bestaande bevoegdheidsprimaat van de raad en PS immers veilige dijken tegen een volledig doorgevoerde dualisering.
In dit stadium wachten wij voorshands eerst maar eens de aangekondigde notitie van het kabinet over het algemene grondwetsherzieningenbeleid af. Nu daarin zal worden voortgebouwd op de voorstellen van de Nationale Conventie valt niet uit te sluiten dat er ook ten aanzien van hoofdstuk 7 een minder behoudende geest gaat waaien.
Meer over...
Een leven lang leren
lees verder


