Luister naar deze pagina met proReader

U bevindt zich op: homenieuwsnieuwsbericht

zaterdag 7 oktober 2006

Congrestoespraak Hans van Mierlo

Wijzigingen voorbehouden - gesproken tekst geldt.

TOESPRAAK MR. HANS VAN MIERLO OP HET

D66 CONGRES - AMSTERDAM - ZATERDAG 7 OKTOBER 2006.

Ik sta hier op het verzoek van het Hoofdbestuur. Ik zeg het voor de zekerheid, want oprichters - als ze te lang blijven leven - hebben het niet gemakkelijk bij jubilea.

Als je zwijgt, distantieer je je.

Als je spreekt, dan móet ie weer zo nodig.

Dus: iets er tussen in.

Toen het Bestuur me vroeg of ik een feestrede wilde houden, zei ik nee. Maar ik wil wel iets zeggen over veertig jaar en nu. Een gelukwens ook.

Ik zie dan nog wel waarméé precies.

Dames en heren,

Met deze aanhef begon ik het oprichtingscongres. En nog steeds ken ik geen betere. Veertig jaar geleden ontstonden we, op een breukvlak in de Nederlandse geschiedenis. Wat we nu helder kunnen zien, voelden we en vermoedden we toen: het langzaam, maar onverbiddelijk weglekken van een vertrouwde, veilige en unieke ordening van onze zuilenmaatschappij, en een politieke cultuur, die de illusies daarvan hardnekkig overeind zou willen houden.

Om ons voor dat laatste te behoeden en de burgers weerbaar te maken in een nieuwe democratie, kwamen wij met voorstellen voor staatsrechtelijke en partijpolitieke vernieuwing. Om het gat te vullen dat ontstond na het wegvallen van die zuilen, moest de democratie directer en persoonlijker worden.

We wilden meer openheid en een meer praktische, concrete en minder ideologische benadering van de politieke problemen, en binnen het besef van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor elkaar meer ruimte voor individuele vrijheid.

Op dit recept zijn we aan het werk gegaan. Er zijn belangrijke activiteiten aan ontsproten: de progressieve concentratie, het schaduw- kabinet, het kabinet-Den Uyl, de open samenleving en internationale gerichtheid, de Club van Rome, de emancipatie, de abortus, de euthanasie, de vrijheidsrechten, de openbaarheid, de pensioenen, de paarse conceptie, het Europa-beleid en vele, vele initiatief wetsontwerpen, met Boris Dittrich als kampioen met vier wetten op zijn naam.

Het is maar een greep. Ik heb geen behoefte aan een jubileuminventarisatie.

Het merendeel van ons kwam van sociaal-democratische of liberale huize, maar ook wel van christelijke of van nergens.

Behoefte aan etiketten hadden we niet. Daar is later anders over gedacht. Velen gingen de behoefte voelen ons vanuit onszelf te definiëren, bijvoorbeeld als links-liberaal of sociaal-liberaal. Ik hoor daar niet zo bij, maar leg me erbij neer.

Ik voel me onwennig en onrustig onder een etiket met zoveel misleidende adjectieven. Ik heb altijd zin om het ervan af te pulken, zoals met alle etiketten.

Voor mij telt meer het woord van de Duitse dichter Joachim Sartorius, die zegt:

Was Wasser ist, sagt uns der Durst.

Oftewel:

Wat we zijn, zegt het verlangen naar ons.

Ook toen we zeiden dat we niet rechts en niet links waren, plaatsten de kiezers ons links van het midden.

De "anderen" herkennen je aan je gedrag en je woorden en zeggen wie je bent.

Heel veel mensen spreken openlijk uit: Geef ons een reden om weer D66 te stemmen.

Het verlangen naar ons is er. Maar het geloof is weg. Of misschien éven weg.

Dat komt omdat in de ogen van de burgers onze daden niet meer overeenkomen met onze woorden of met het beeld dat ze van ons hadden.

Dan valt het geloof weg, hóe mooi je programma's en je voornemens ook klinken.

Dan kun je drie dingen doen.

1. Ermee ophouden. Daar ben ik niet voor.

2. De kiezers ervan proberen te overtuigen dat ze het verkeerd zien en dat we juist hebben gehandeld. Op die weg zie ik geen licht.

3. Teruggaan naar de plaats waar de burger het geloof in ons heeft verloren en je afvragen waarom hij het daar is kwijt geraakt.

Wie dat niet doet, wie niet achterom wil kijken, is kansloos. Wie alleen maar de blik vooruit wil werpen, kan geen betekenis geven aan wat hij voor zich ziet. En hij zal niet geloofd worden, wat hij ook zegt.

En dáárom heb ik gisteren gezegd dat de vraag aan de orde is of je door moet gaan of niet. Niet omdat ik zou twijfelen aan ons bestaansrecht - dat was een interpretatie van Teletekst - maar omdat het een kenmerk is van D66 dat het nimmer z'n bestaan als vanzelfsprekend heeft gevonden.

Die vraag wordt niet formeel op het congres behandeld, maar ligt toch in het hart van iedere D66-er. Als ik in De Volkskrant van vanochtend lees dat een paar prominente D66-ers, die anoniem willen blijven, zeggen dat ik die vraag beter niet aan de vooravond van de verkiezingen had kunnen stellen, ben ik verbaasd. Tot hen zou ik willen zeggen - anoniem natuurlijk -: juist vanwege een echte D66-campagne verdring je die vraag niet. Je stelt hem en beantwoordt hem.

Met name de laatste jaren hebben wij ons, vrees ik, verwijderd van het beeld dat de kiezers van ons hadden. Ik zeg dat onder erkenning van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de weg, die we hebben ingeslagen met de deelname aan het kabinet. Wat ik daarover zeg is zeer persoonlijk.

Hoewel we wel wisten dat het risicovol was, hebben we toch een paar gevaren zwaar onderschat. We hebben goede dingen gedaan op de portefeuilles, waarvoor we verantwoorde- lijk waren of tenminste daar gedaan, wat in ons vermogen lag.

Dat geldt voor Laurens Jan, die een wending wist te geven aan het non-Europese beleid en zich onderscheidde op het energievraagstuk.

Dat geldt voor Thom, die z'n geloofwaardigheid behield, toen hij struikelde over het uitgestoken been van Van Thijn.

Dat geldt voor Alexander, die net aan Den Haag begon te wennen, toen hij struikelde over het been van Lousewies.

En dat geldt ook voor Medy, voorzover de coalitie zich niet rechtstreeks met haar beleid bemoeide.

Maar__dáár zijn we niet op beoordeeld. We zijn beoordeeld op de portefeuilles, die we niet hadden en op onze collectieve verantwoordelijkheid voor het hele beleid op juist die punten, die moeilijk te rijmen waren met het gedachtegoed van D66.

Ook al hebben wij zelf de oorlog in Irak politiek niet goedgekeurd, hebben we toch onderschat wat het heeft betekend om toe te treden tot een coalitie, waarvan de twee andere partijen dat wel hebben gedaan.

Die illegitieme oorlog, die niet alleen Irak ontwricht, maar de hele wereld demoraliseert, de internationale rechtsorde op losse schroeven zette en ons buitenlands beleid voor lange tijd op het verkeerde been.

Maar de grootste schade hebben we opgelopen bij het integratie- en vreemdelingenbeleid van mevrouw Verdonk, waarvan inhoud en toonsoort lijnrecht ingingen tegen alles waar D66 voor staat.

Helaas zijn we ondanks ons verzet te lang met dat beleid geassocieerd geweest. Toen de bevrijding daarvan kwam was dat een opluchting voor ons D66-ers. Lousewies heeft dat overtuigend gebracht, maar het heeft de indruk bij de burgers niet meer kunnen wegnemen. De negatieve invloed van mevrouw

Verdonk op het klimaat in onze samenleving had al plaatsgevonden, lang vóór de kermis rond Ayaan Hirsi Ali. Dat is ook de reden waarom het verlaten van het kabinet geen keer ten goede heeft gebracht in de peilingen.

Het drama Verdonk is een bewijs dat het uitblijven van staatsrechtelijke vernieuwing rechtstreeks het beleid schaadt. Haar beleid werd door een grote meerderheid van het parlement als schadelijk beschouwd voor de Nederlandse samenleving. Het zou aan de premier zijn om mevrouw Verdonk om die reden in ieder geval weg te halen van de portefeuille Integratie en Vreemdelingen-zaken. Maar de premier kan of durfde niks.

De VVD was bang dat mevrouw Verdonk een nieuwe partij zou oprichten, die de VVD zou halveren. Dus: handen af van mevrouw Verdonk. En zo ontstaat de situatie: de angst voor Verdonk gijzelt de VVD. De VVD gijzelt de coalitie en de coalitie láát zich gijzelen.

En dáárom hebben we al drieëneenhalf jaar een beleid, waar een groot deel van ons land zich voor schaamt en dat Nederland van z'n reputatie heeft beroofd.

Omdat alles uit één stem moet komen, omdat macht en de controle op macht in een dodelijke omhelzing verkeren en omdat de belangen van de machtsvorming de zuiverheid in de machtsuitoefening aantast.

In de kwestie Uruzgan had de fractie een zeer goed doordacht standpunt. De ernstige fout die zij maakte was niet dat zij vroegtijdig dat standpunt bepaalde - dat gebeurt wel meer - maar dat zij het onbespreekbaar verklaarde.

Het debat, zo werd gezegd, diende nog slechts om anderen te overtuigen van de juistheid van het D66-standpunt, maar dat kon zelf niet meer veranderen.

Hier zat ongetwijfeld de ervaring achter dat een kleine partij, die er is om grote partijen aan een meerderheid te helpen, in een langdurig proces uiteindelijk altijd naar de rand wordt gewerkt en dat de fractie gedacht heeft: dit zal ons in dit geval niet gebeuren: wij timmeren ons vast.

Dat is een verklaring, maar geen rechtvaardiging. Zelfs een oppositiepartij kan zich niet permitteren haar standpunt onbespreekbaar te noemen. Maar zeker een regeringspartij kan dat niet, en D66 al helemaal niet.

Dit zijn drie voorbeelden, waarin D66 niet herkenbaar meer was in het beeld dat kiezers van onze partij hebben. Met andere, vormen zij de elementen die het geloof van de burger in de partij hebben aangetast. Het terugkrijgen van dat geloof begint met de erkenning dat we het grotendeels door eigen toedoen hebben verloren. Mijn conclusie is dat we - met alle goede bedoelingen - ons vertild hebben aan de coalitie, ook al heeft zij goede dingen gedaan. En dat het niet gelukt is in deze coalitie onze identiteit overeind te houden. Teveel daarvan hebben we moeten prijsgeven om te kunnen regeren.

Ik weet dat Alexander dit erkent. En daarmee begint zijn recht van spreken. Het is moedig van hem. Want het terugveroveren van vertrouwen is een langdurig proces. Maar als hij eerlijk is en helder en vasthoudt aan die principiële doelstelling van de partij, dan maakt hij een kans.

De veroudering van ons bestel begint nu ook echt de kwaliteit van het beleid aan te tasten. De consumptiemaatschappij draait op volle toeren en centrifugeert de publieke zaak meer en meer naar de rand. Het wordt steeds moeilijker greep te krijgen op die processen die ons collectief belang moeten waarborgen: veiligheid, rechtvaardigheid, milieu, sociale zorg, privacy, onderwijs, infrastructuur.

Het kwantitatieve denken beheerst ons en bedreigt de kwaliteit en alles wat on-meetbaar is.

Die beheersbaarheid zal steeds meer in gevaar komen als we uit gemakzucht het democratisch bestel verder laten versloffen. De uitgangspunten van de partij, zoals ik die zojuist van veertig jaar terug citeerde, zijn actueler dan ooit. Van wat we toen vermoedden, liggen nu de bewijsstukken op tafel en de electorale scherven op de grond. In zekere zin is D66 veertig jaar te vroeg geboren. Als we de juiste lessen trekken uit het verleden, dan is er geen haar op m'n hoofd die twijfelt aan ons bestaansrecht. En aan onze kansen om weer terug te komen. Voor velen zou er een gat vallen in het politieke spectrum als D66 er niet meer zou zijn.

Dat zeg ik niet als een oprichter die maar geen afstand kan doen. Maar als burger die niet meer zou weten, waar hij op moet stemmen.

We staan nu aan de vooravond van een campagne, waarin de wet van de grote getallen weer opnieuw de hypocrisie van ons systeem zal blootleggen: het land van doen alsof. Doen alsof je een veelsoortig parlement kiest, dat een premier aanwijst, terwijl in werkelijkheid de race gaat om de vraag wie er minister-president wordt: Bos of Balkenende. Wat formeel onthouden wordt aan de kiezers - het rechtstreeks kiezen van de premier, wordt door een achterdeur binnengehaald ten koste van de andere partijen.

Alexander krijgt het dus extra moeilijk, maar hij is niet kansloos. Zijn entrée in Den Haag was stormachtig. In alle opzichten. Hij maakte indruk door z'n voortvarendheid en daadkracht. En het hart op de tong. Dat leverde hem terechte kritiek op over een interview in Opzij. Maar in de ophef daarover zat nogal wat selectieve verontwaardiging. Vooral van de concurrentie.

Laat ik je, Alexander, voor de zekerheid aanbevelen alle bijvoeglijke naamwoorden te vermijden met een "u" daarin. En verder:

Alles is betrekkelijk. Jij hebt bij mijn weten nog nooit iemand een takkenwijf genoemd. Zelfs een minister niet.

Je hebt dus een verblijfsvergunning in Den Haag. En het vertrouwen van ons.

Partijleden, ik wens jullie geluk met het feit dat we het al veertig jaar met elkaar uithouden. En jou, Alexander, met het gewicht van een veertigjarige traditie achter je.

Voer ons aan.

Meer over...

Deel dit item:
Link toevoegen aan Hyves Link toevoegen aan Facebook Link toevoegen aan Twitter Link toevoegen aan LinkedIn
mail deze pagina naar een vriendprint pagina
 
 
Alexander Pechtold over zijn boek: 'Henk, Ingrid en Alexander'
afspeelknop

online netwerken

facebook.comlinkedin.comhyves.nlyoutube.comTwitter D66flickr.complein66.nl
Blog Jorg van Velzen

Een leven lang leren

We kregen een papiertje, een diploma, en dachten dat we er waren. Onze ouders en grootouders waren trots en we liepen het ene schoolgebouw uit om in een ander, groter gebouw weer terug bij af te zijn. Hadden we in de ene ...
lees verder