Wijziging paspoortwet 9 juni 2009
Innovatie is een uiting van kennisontwikkeling en in veel gevallen een bron van maatschappelijke vooruitgang. De technologische vooruitgang heeft ook de wereld van de reisdocumenten niet ongemoeid gelaten. Geografische grenzen worden steeds meer technologische grenzen. In die zin biedt het gebruik van biometrische gegevens in reisdocumenten uit een oogpunt van identificatie, verificatie en logistieke zekerheid ongetwijfeld voordelen. Maar nieuwe technieken brengen ook verantwoordelijkheden met zich mee. De biometrische techniek kan fraude met reisdocumenten wellicht beter tegengaan, maar roept ook vragen op. Vragen over de effectiviteit, over de kosten, over de betrouwbaarheid en vooral ook over de gevolgen voor de rechten en vrijheden van burgers.
Met name in het licht van de privacybescherming bestaat in de kringen van de D66-fractie en de OSF in algemene zin de nodige aarzeling over de cumulatieve effecten van wetgeving die een uitbreiding van het technisch gebruik van persoonsgegevens met zich meebrengt. In de afgelopen jaren heeft de regering in toenemende mate voor verschillende doeleinden regelgeving ontwikkeld om allerlei persoonsgegevens te verzamelen, te gebruiken en te bewaren. Ik noem als voorbeeld de invoering van het burgerservicenummer. En binnenkort gaan wij ons in deze Kamer buigen over het elektronisch patiëntendossier, het elektronisch kinddossier en een bewaarplicht van communicatiegegevens. Onze fracties bezien deze tendens niet zonder zorgen.
Wat betreft dit voorstel van rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet richt ik mij vandaag dan ook in het bijzonder op het principiële punt van de bescherming van de privacy van de burger. De reactie van de regering op onze schriftelijke inbreng, waarvoor overigens onze oprechte dank, heeft namelijk nog enkele kwesties open gelaten met betrekking tot de toets van artikel 8 EVRM, de doelbinding van de wetswijziging, de compartimentering van privacygevoelige informatie in het licht van de bredere trend van centrale opslag van persoonsgegevens en het met de Europese regelgeving samenhangende verschijnsel van de zogeheten ‘goldplating’.
Artikel 8 EVRM eist een deugdelijke belangenafweging ten aanzien van een mogelijke inbreuk van wettelijke maatregelen op de persoonlijke levenssfeer van de burger. Wij hebben gevraagd op welke wijze de opslag van vingerafdrukken in een centrale reisdocumentenadministratie noodzakelijk is “in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”, zoals art. 8 (2) EVRM het formuleert. In de schriftelijke voorbereiding hebben wij nog eens expliciet gevraagd waar het door de regering in de MvT verwoorde ‘dringende maatschappelijke belang’ van de centrale opslag van persoonsgegevens en de verstrekking van gegevens uit deze administratie aan de officier van justitie en andere overheidsinstanties nu precies in is gelegen. Het uit de EG-verordening nr.2252/2004 voortvloeiende opnemen van vingerafdrukken in reisdocumenten en het registreren daarvan in een centrale reisdocumentenadminstratie bevordert op zichzelf inderdaad een effectief en betrouwbaar aanvraag- en uitgifteproces. Maar de vraag is of er voldoende waarborgen zijn om onnodige inbreuken op de privacy van de burger te garanderen. De regering meent dat met name de wettelijk vastgelegde doeleinden voor het gebruik van de opgeslagen gegevens deze waarborg bieden. Onze fracties vragen zich af of dit voldoende waarborgen biedt. Het effectiviteitsvereiste gaat er van uit dat de verwerking van gegevens in een evenredige verhouding staat tot het te verwezenlijken doel, dat de beperking van de privacy doeltreffend bijdraagt aan de verwezenlijking van dat doel en dat wordt nagegaan of er minder ingrijpende, maar even effectieve alternatieve middelen bestaan om het doel te bereiken. Er is in dit verband veelvuldig gewezen op de risico’s van onjuist gebruik of zelfs misbruik bij een centrale administratie van biometrische gegevens, met name vanwege de mogelijkheden voor koppeling aan andere gegevensbestanden en daarmee voor onbegrensde gegevensuitwisseling. De controle van belanghebbenden op het gebruik van hun persoonsgegevens wordt daardoor steeds moeilijker. Hoe beoordeelt de regering in dat licht de omvang van het probleem van identiteitsfraude en de effectiviteit van een centrale opslag van biometrische gegevens voor het tegengaan van deze fraude, gelet op een foutmarge van 3% die nog steeds bestaat bij het gebruik van biometrische gegevens voor persoonsherkenning? Is bij het gebruik van biometrische gegevens geen sprake van een zekere mate van schijnveiligheid? En wat betekent dat voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer? Graag hoor ik nog eens hoe de regering deze problematiek precies beoordeelt.
Het voornaamste doel van de nieuwe reisdocumentenadministratie is het creëren van een betrouwbaar aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten met het oog op voorkomen van identiteitsfraude bij het aanvragen en het gebruik van het reisdocument. Op basis van artikel 4 lid 5 van het wetsvoorstel kunnen echter ook gegevens uit de reisdocumentenadministratie verstrekt worden aan de officier van justitie voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Naar de mening van onze fracties staat dit op gespannen voet met het primaire doel van de nieuwe reisdocumentenadministratie, nu de vraag gesteld kan worden of er nog sprake is van een strikt doelgebonden gebruik van deze administratie. Niet geheel ten onrechte is in dit verband de term opsporingsregister gevallen. Het is vooral ook tegen deze verruiming van beschikbaarheid van persoonsgegevens waar onze fracties grote vraagtekens bij zetten. In de huidige situatie bestaat al de mogelijkheid voor de officier van justitie om gegevens ter identificatie van een verdachte op te vragen (art. 126 WvSv). Waarom is er voor gekozen om in dit voorstel een bepaling op te nemen waardoor aan de officier van justitie gegevens uit de centrale reisdocumentenadministratie verstrekt kunnen worden, zo vraag ik de regering.
De regering heeft ten aanzien van de centrale reisdocumentenadministratie benadrukt dat het niet gaat om een opsporingsregister en dat de gegevens van de burgers niet in een strafrechtelijke context opgeslagen worden, zoals in de zaak Marper – UK wel het geval was. De door de regering gemaakte afweging tussen het publieke en het private belang is inderdaad uitsluitend gemaakt ten aanzien van het opslaan van vingerafdrukken ten behoeve van een accurate en effectieve reisdocumentenadminstratie. Indien er echter géén sprake is van een strafrechtelijke context, hoe moet dan precies de in dit voorstel opgenomen bevoegdheid voor de officier van justitie om gegevens uit deze centrale administratie op te vragen worden gekwalificeerd? Het toepassen van die bevoegdheid zal in de praktijk toch uitgaan van de veronderstelling dat een strafbaar feit is gepleegd, en dat er met andere woorden sprake is van een verdachte. In hoeverre is, nu de Paspoortwet feitelijk een met een opsporingsregister vergelijkbare functie en betekenis krijgt, de zaak Marper – UK in dat licht dan toch niet relevant? Graag ook op dit punt een reactie van de staatssecretaris.
In het artikel 4, lid 3 van de Europese verordening betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten is bepaald, dat de biometrische gegevens die in het paspoort opgenomen dienen te worden alleen mogen worden gebruikt om de authenticiteit van het document of de identiteit van de houder vast te stellen.
Wanneer biometrische kenmerken gebruikt worden door de officier van justitie om een verdachte in een strafonderzoek te identificeren, levert dit dan geen schending op van de Europese verordening? De burger kan zich immers bij de rechter direct op de Europese verordening beroepen. Reiken de doeleinden, zoals door de regering geformuleerd in artikel 4b van het wetsvoorstel, niet veel verder dan de verordening toestaat? Graag vragen wij de regering een reactie op onze waarneming dat de regering met dit voorstel de in de Europese verordening gestelde doelen behoorlijk oprekt.
Op onze vraag hoe de regering ‘function creep’ denkt te voorkomen, antwoordt zij dat gegevensverstrekking slechts kan geschieden ten behoeve van een zeer beperkt aantal doeleinden. In artikel 4 lid 1 en 2 worden deze doeleinden genoemd. Dit zijn de volgende: het voorkomen en bestrijden van fraude; de identificatie van slachtoffers; de opsporing en vervolging van strafbare feiten; de veiligheid van de staat en andere gewichtige belangen van het Koninkrijk dan wel de veiligheid van met het Koninkrijk bevriende mogendheden. Men kan dit toch moeilijk beperkte of een zeer beperkt aantal doelen noemen.
Nu heeft de regering terecht opgemerkt dat een verruiming van de gegevensverstrekking uit de centrale administratie slechts binnen de kaders van deze doelen kan geschieden. Naar het oordeel van onze fracties betekent dit dat via een wetswijziging de gegevenverstrekking verruimd kan worden naar een toepassing die niet meer verenigbaar lijkt met het doel van deze wetgeving. Onze fracties zouden menen dat gegevensverstrekking niet met een ander doel dan met betrekking tot het aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten zou kunnen plaatsvinden. Graag hoor ik op dit punt een reactie van de regering waarbij ook de Europese Richtlijn nr. 95/46/EEG Bescherming van personen in verband met de behandeling van persoonsgegevens, en in het bijzonder art. 6, lid 1, sub a en b, in het antwoord wordt betrokken.
Het gevolg van een centrale reisdocumentenadministratie waarin biometrische gegevens opgenomen worden is dat meer privacygevoelige informatie beschikbaar komt. Met het burgerservicenummer en elektronische dossiers kan al een veelomvattend profiel van een persoon worden samengesteld. Onze fracties maken zich ernstige zorgen over de veelheid aan persoonsgegevens die door de overheid verzameld en bewaard wordt in centrale administraties. Graag verneem ik van de staatssecretaris op welke wijze de informatie in de nu beoogde centrale reisdocumentenadministratie gecompartimenteerd zal worden.
Het doel van deze wijziging van de Paspoortwet is een betrouwbaar en effectief aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten te bevorderen. Onze fracties zijn in het licht van het belang van een optimale waarborging van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer voorshands niet overtuigd van het dringende maatschappelijke belang van een centrale reisdocumentenadministratie waarin biometrische gegevens zullen worden opgeslagen, waar als gevolg van de koppeling van bestanden andere dan de in dit voorstel bedoelde instellingen en personen gegevens uit kunnen verkrijgen, en die zelfs ook voor strafrechtelijke doeleinden gebruikt kunnen worden. Wij worstelen kortom met de vraag of dit zich ver buiten de grenzen van de toepasselijke Europese verordening bewegende wetsvoorstel moet worden aanvaard. Om die reden wachten wij de reactie van de regering af alvorens een eindafweging te maken.
Richtingwijzers voor een progressieve sociaal-liberale visie
Een leven lang leren
lees verder


