Luister naar deze pagina met proReader

Bijdrage Hans Engels debat over wet verwijsindex risicojongeren

Tot mijn vreugde en genoegen voer ik vandaag wederom mede het woord namens de Onafhankelijke Senaatsfractie.

De fracties van D66 en OSF willen de minister allereerst dank zeggen voor de uitgebreide beantwoording van de vragen en opmerkingen die tijdens het voorbereidend onderzoek zijn ingebracht.

Deze wet moet de hulpverlening aan risicojongeren verbeteren. De problematiek van risicojongeren is divers en niet zelden complex. Zo neemt in het onderwijs het aantal leerlingen met ernstige gedragsproblemen toe. Recente cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau spreken zelfs van een verdriedubbeling in het voorgezet onderwijs over de afgelopen tien jaar. In 2009 waren er 48.800 voortijdige schooluitvallers zonder startkwalificatie.

Op het terrein van politie en justitie zien wij een sterk groeiend aandeel minderjarige verdachten. De jeugdzorg, het maatschappelijk werk en consultatiebureaus hebben de handen vol aan de begeleiding en hulp aan tienerzwangerschappen. De verslavingszorg kampt met veel jongeren die verslaafd zijn aan drugs of alcohol.

De gevaren waaraan jongeren bloot staan zijn kortom evident en ernstig. In dat licht is het van belang dat de zich op dit terrein voordoende problemen op een samenhangende en doeltreffende wijze door de verantwoordelijke hulpverleners worden opgepakt. De praktijk laat echter een ander beeld zien. Hulpverleners, bijvoorbeeld in het maatschappelijk werk of de verslavingszorg, scholen, bureau Jeugdzorg, huisartsen en ziekenhuizen weten vaak niet eens van elkaars werkzaamheden. Onze fracties moeten daarbij constateren dat de kokervisie binnen de hulpverlening een probleem is dat wij in dit huis vaker hebben besproken.

De fracties van D66 en OSF staan in deze context geenszins afwijzend tegenover het wettelijk verankeren van de voorgestelde Verwijsindex. Wij staan in beginsel zeker ook positief tegenover een technische vernieuwing, vooral wanneer deze bijdraagt aan een beter afgestemde hulpverlening aan jongeren. Wij zien tot slot het belang van tijdige en gecoördineerde interventies vanuit hulpverleningsinstanties.  

Toch is kritiek mogelijk op het wetsvoorstel. Eerder was er de serieus te nemen kritiek van de Raad van State en van het College Bescherming Persoonsgegevens Ook bij belangenorganisaties zijn veel vragen gerezen en in de juridische literatuur zijn ernstige vraagtekens geplaatst bij de verdragsrechtelijke validiteit, de privacybescherming, en met name bij de risico’s van benaderingen vanuit etniciteit.

Bij herhaling en uitvoerig heeft de minister gepoogd duidelijk te maken dat het bij het systeem van de Verwijsindex slechts gaat om het maken van een ‘match’ en niet om het opslaan of uitwisselen van gegevens. Wat onze fracties echter zorgen baart is het na de ‘match’ uitwisselen van die gegevens en dat brengt mij bij problematiek die de KNMG heeft gesignaleerd op het punt van de positie van artsen in relatie tot hun geheimhoudingsplicht. De minister stelt in zijn brief van 21 januari 2010 dat naar zijn mening een goede balans is gevonden tussen de bescherming van de privacy en het belang van een melding. Hij geeft aan dat de melding, ondanks deze geheimhoudingsplicht, bijdraagt aan een beter beeld over de context van de jeugdige. Niettemin adviseert de KNMG artsen in het licht van hun geheimhoudingsplicht terughoudend te zijn met het doen van meldingen aan de Verwijsindex. Artsen wordt geadviseerd alleen te melden wanneer ze ook inhoudelijke informatie mogen delen met andere hulpverleners. Dat roept bij onze fracties de volgende vragen op. Hoe beziet de minister dit advies van de KNMG in het licht van zijn opmerkingen over de context van de jeugdige? Vindt de minister dat artsen sneller moeten melden dan de KNMG nu adviseert? Is de minister verder voornemens om de rol van de arts nader te specificeren zoals de KNMG vraagt?

Onze fracties kijken nog wel met enige aarzeling naar de gehanteerde leeftijdsgrens van 23 jaar bij de invulling van de bewaartermijnen. Terecht heeft de minister opgemerkt dat de meerderjarigheidsleeftijd niet behoeft te betekenen dat een jongere ook volwassen is. De voor deze waarneming gehanteerde levensfasen voor jeugdigen zijn echter niet in alle opzichten maatgevend. Volwassenheid heeft geen eendimensionale relatie met leeftijd. Deze waarneming wordt mij als oudere jongere in huiselijke kring bij herhaling aangereikt door mijn vrouw en dochters.

Wij hadden ons met andere woorden ook kunnen voorstellen dat een grens van 18, of desnoods 21 jaar zou zijn aangehouden bij de regeling van de bewaartermijnen. Wij menen dat de minister hier te voorzichtig is en te weinig de eigen verantwoordelijkheid van jeugdigen in ogenschouw neemt. Door bij elke regelgeving te verwijzen naar het feit dat in alle wetgeving en beleid nu eenmaal een grens van 23 jaar wordt gehanteerd zet de minister de zaak handig, maar niet overtuigend op slot. Graag ontvangen wij een nadere toelichting op dit punt. Onze fracties menen voorts dat de toereikendheid van de leeftijdsgrens bij de evaluatie van deze wet aan de orde zal moeten komen en zo nodig eerder, wanneer de praktijk hier behoefte aan heeft. Ook op dit punt graag een reactie.

Momenteel zijn meerdere regionale signaleringsystemen actief. Kan de minister aangeven hoe de aanknoping van deze systemen met de landelijke Verwijsindex verloopt? Wanneer verwacht de minister een landelijk dekkend systeem te hebben uitgerold? Ook na de landelijke uitrol van de Verwijsindex zullen de meeste matches binnen één regio plaatsvinden. Deze regio’s zullen opereren onder hetzelfde convenant. Hoe beziet de minister in dat geval de samenwerking van hulpverleners uit verschillende, eventueel aangrenzende regio’s die op basis van andere convenantvoorwaarden werken? Bestaat hier het gevaar van een nieuwe verkokering van

hulpverlening? Op welke manier gaat de minister toezien op de benadering van deze grensgevallen?

Meerdere fracties hebben gevraagd naar de figuur van een gezinsmelding in de Verwijsindex. De minister heeft in een latere brief aangegeven dat een eerste globale toets van de juridische haalbaarheid en de technische uitvoerbaarheid van een gezinsfunctionaliteit stemt tot het doorzetten daarvan. Onze fracties willen hier markeren dat zij nog weinig aandrang voelen dat pad daadwerkelijk op te gaan.

Het valt ook hier weer op dat de minister structureel uitgaat van de verwachting dat de samenleving voor de aanpak van de jeugdproblematiek, maar ook op andere beleidsterreinen, een actief interveniërende  overheid wenst. Hij wordt daarin aan de overzijde nadrukkelijk gesteund door parlementariërs uit de gelederen van de coalitiefracties die van enige begrenzing van de bevoogding en opvoeding van de samenleving door de overheid niet willen weten.

De fracties van D66 en OSF zouden menen dat overheidsbemoeienis niet tot een te grote mate van afhankelijkheid en onzelfstandigheid van burgers moet leiden. Mocht de minister niettemin verder deze weg willen bewandelen, dan vragen wij de minister daarbij bijvoorbeeld ook de situatie van gescheiden ouders te betrekken. Een andere vraag is nog of de minister kan aangeven hoe het niet-klassieke gezinsverband kan worden meegenomen in de gezinsfunctionaliteit.

Onze fracties hebben kennis genomen van de site ‘meldcriteria.nl’. Hier is aan de hand van vijf thema’s voor hulpverleners inzichtelijk gemaakt welke redenen er kunnen zijn om een melding aan de Verwijsindex te doen. Bij het thema “Sociale omgeving buiten het gezin en school” valt ons een bepaald meldcriterium op. Dat criteria luidt: “De jeugdige heeft geen hobby’s of interesses en gaat uit zichzelf geen interactie aan met de sociale omgeving.” In de toelichting valt te lezen dat “de jongere zich verveelt als een ander niet het voortouw neemt.” Ons is nu niet duidelijk onder welke van de in artikel 2j limitatief opgesomde meldingsgronden dit criterium te brengen valt? Kan de minister ons helpen?

Artikel 8 van het EVRM formuleert het recht op ‘family life ’. Beperkingen op dit recht zijn alleen toegestaan als ze noodzakelijkheid zijn. Eerder was de Raad van State van oordeel dat de Verwijsindex doelen in zich bergt die geen grond bieden om het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer te beperken. Dit heeft de minister er toe aangezet om de meldingsgronden limitatief op te sommen. Binnen dit inmiddels gesloten systeem van meldingsgronden bevinden zich wat ons betreft goed denkbare gevaren en risico’s. Zeer bezorgd zijn wij echter over de meldingsgrond etniciteitsrisico’s. Artikel 2j onder L van deze wet spreekt over: “een jeugdige die bloot staat aan risico’s die in bepaalde etnische groepen onevenredig vaak voorkomen.”

Ook na lezing van de Memorie van Antwoord is het onze fracties niet duidelijk geworden op welke risico’s nu precies wordt gedoeld. Wij zijn vooralsnog dan ook geenszins overtuigd van de toegevoegde waarde van het registreren van een jeugdige op basis van onevenredige risico’s die zijn etniciteit met zich mee zou brengen. Vindt de minister dat de andere meldingsgronden onvoldoende ruimte bieden om problematiek van risicojongeren in te vatten? Graag vragen wij de minister nog eens in te gaan op de toegevoegde waarde van dit criterium. Zou het niet goed zijn, mede in het licht van de beperkingssystematiek van grondrechten, als deze etniciteitsrisico’s helder worden omschreven? Graag zouden de minister willen vragen welke specifieke risico’s enkel en alleen onder deze meldingsgrond te brengen zijn en daar enkele inzichtelijke voorbeelden van te geven.

Dan nog een kwestie die raakt aan het staatsrechtelijke principe van de lokale autonomie. De wet legt gemeenten in medebewind verplichtingen op met betrekking tot het gebruik van de VWI. Het is gemeenten niet mogelijk medewerking te weigeren. Welke rechtvaardiging ziet de minister voor deze vergaande inperking van de beleidsvrijheid van lokale overheden? En hoe moeten wij formeel en materieel het overleg kwalificeren dat de minister met gemeenten zal voeren als er problemen ontstaan bij de uitvoering van de wettelijke taken?

Tot slot een kwestie die raakt aan de organisatie van het binnenlands bestuur. In de MvA wordt hoog opgegeven over de centrale rol die gemeenten al sinds jaar en dag spelen in het jeugdbeleid. Zij vervullen een spilfunctie, ja zelfs een regierol in het samenbrengen van de hulpverlening en het organiseren van een samenhangend jeugdbeleid. Onze fracties zijn van deze ode aan het lokaal bestuur zeer onder de indruk en vragen zich af of dit niet impliceert dat de thans nog bestaande provinciale bevoegdheden zouden moeten worden overgedragen aan gemeenten. Het lokaal bestuur is immers bij uitstek de bestuurslaag die, als eerste overheid en dicht bij mensen, zorgtaken behoort uit te voeren en daarbij maatwerk levert? Graag vragen wij de minister hierop een inhoudelijke, dat wil zeggen een van het coalitieakkoord abstraherende visie te geven.

 


mail deze pagina naar een vriendprint pagina
Alexander Pechtold over zijn boek: 'Henk, Ingrid en Alexander'
afspeelknop

online netwerken

facebook.comlinkedin.comhyves.nlyoutube.comTwitter D66flickr.complein66.nl
Blog Jorg van Velzen

Een leven lang leren

We kregen een papiertje, een diploma, en dachten dat we er waren. Onze ouders en grootouders waren trots en we liepen het ene schoolgebouw uit om in een ander, groter gebouw weer terug bij af te zijn. Hadden we in de ene ...
lees verder